2002/34 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Coöperatief Bungalowpark Het Grootslag U.A.

tegen

L. Blank, M. Vermeulen en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

Bij brief van 8 januari 2002 met tien bijlagen heeft het Coöperatief Bungalowpark Het Grootslag U.A. (klaagster) een klacht ingediend tegen L. Blank, M. Vermeulen en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad (verweerders). Hierop heeft R.A.M. Brown, hoofdredacteur, mede namens Blank en Vermeulen gereageerd bij brief van 22 januari 2002. Klaagster heeft nog op dit verweer geantwoord in een brief van 5 februari 2002 met vier bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2002. Namens klaagster zijn S. Ruiter, voorzitter, en D. Reiman, secretaris, verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn P. Hovestad, algemeen redactiechef, M. van der Busken, editiechef, en voornoemde Blank, verslaggever, verschenen.

DE FEITEN

Op 22 november 2001 is in het Noordhollands Dagblad een artikel van Blank verschenen onder de kop “Oproer kraait op vakantiedorp in Andijk”. De intro van het artikel luidt:
“Op vakantiedorp Het Grootslag in Andijk kraait het oproer van ontevreden eigenaren van recreatiebungalows. Met name Nederlanders die er één of meer huisjes bezitten, zijn het in hun ogen ondemocratische handelen van het bestuur van de overkoepelende coöperatie meer dan zat. Directe aanleiding voor hun laatste woede-uitbarsting is het voorstel de camping op te heffen en deze vol te zetten met vakantiehuisjes. Ook de financiële constructie voor de bouw van een nieuw overdekt zwembad met receptie is voor de morrende groep een nagel aan de doodskist.”
In het artikel wordt A. Brugman, voormalig penningmeester van klaagster aan het woord gelaten. Deze wordt onder meer geciteerd als volgt:
“,,Er geldt op het park maar één wet, en dat is die van Ruiter’’, legt Brugman de wortel van het kwaad bloot.”
Het artikel bevat verder de volgende passage:
“Kritiek is er ook op de ondoorzichtige administratie van coöperatie en facilitair bedrijf waarmee volgens de ex-penningmeester ook regelmatig gesjoemeld zou zijn. Die onregelmatigheden werden niet alleen door Brugman zelf, maar naderhand ook door de Rabobank West-Friesland-Oost gesignaleerd Dat was voor de geldverstrekker, zo wordt bevestigd door een zegsman van de bank, aanleiding een door de coöperatie gevraagde lening van 3,2 miljoen gulden (1,45 miljoen euro) af te wijzen: ,,We hebben ons oordeel gebaseerd op cijfers en feiten. Met de bestuurlijke strubbelingen hebben wij ons niet bemoeid.’’”
Voorts is onder de kop “Voorzitter Ruiter: ‘Overal heb je dorpsgekken’” onder meer bericht:
“Voorzitter Simon Ruiter van Coöperatie Bungalowpark Het Grootslag UA wil in dit stadium niet ingaan op de kritiek van een aantal ontevreden en kritische eigenaren van recreatiebungalows: ,,Ik wil hier eerst met het bestuur en de projectontwikkelaar over praten.””
Diezelfde dag verscheen in het Noordhollands Dagblad in de rubriek ‘Stad & Streek’ op pagina 3 een artikel van de hand van Blank onder de kop “’Leden van de coöperatie zijn niet te mobiliseren’”. Daarin uiten de eerder genoemde Brugman, alsmede M. de Graaf en D. Lammes hun kritiek op (het bestuur van) klaagster. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Ook wordt hij (Lammes) door het bestuur beschouwd als kwade genius achter het besluit van de Rabobank West-Friesland-Oost om geen 3,2 miljoen gulden (1,45 miljoen euro) te verstrekken voor de bouw van een overdekt zwembad annex receptie. Lammes liet zich in een brief aan het bestuur (…) kritisch uit over onder meer de financiële constructie die als basis dient voor de nieuwbouwplannen: ,,Ik vind dat die initiatieven niet passen binnen de statuten van de coöperatie. (…) Zonder mijn medeweten is die brief doorgespeeld naar de bank. De inhoud zou voor de bank aanleiding zijn geweest om af te zien van de lening. Maar van de bank weten we dat die tot dat besluit is gekomen na bestudering van de jaarcijfers en begrotingen van de coöperatie.””

Het Noordhollands Dagblad heeft verder aandacht aan de kwestie besteed in de volgende artikelen:
 “Klap met spade voor manager Het Grootslag” van 27 november 2001;
 “Politie weet van incident op vakantiedorp” van 28 november 2001;
 “Bestuur Andijker coöperatie neemt afstand van forse kritiek leden – ‘Geen toekomst vakantiedorp zonder bad’, van eind november/begin december 2001 (exacte datum niet bekend);
 “Leden stemmen in met voorstellen voor Het Grootslag” van 3 december 2001.
Ten slotte is op 12 december 2001 in het Noordhollands Dagblad in de rubriek ‘Lezers schrijven’ onder de kop “Grootslag” een ingezonden brief van het bestuur van klaagster geplaatst.

Bij brief van 11 december 2001 heeft klaagster haar bezwaren tegen de berichtgeving aan de directie van het Noordhollands Dagblad kenbaar gemaakt en rectificatie verzocht. Blank heeft dit verzoek in een brief van 14 december 2001 afgewezen.

Nadat klaagster haar klacht bij de Raad heeft ingediend, zijn over de kwestie nog de volgende artikelen in het Noordhollands Dagblad verschenen:
 “Harde aanpak van oppositie op vakantiedorp” van 19 januari 2002;
 “Eigenaren Grootslag eens over maatregelen” van 21 januari 2002.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de berichtgeving onjuistheden bevat, met name betreffende haar relatie met de Rabobank. Ten onrechte is vermeld dat de bank naar aanleiding van onregelmatigheden in de administratie van klaagster een lening zou hebben geweigerd. De bank heeft de lening nooit afgewezen, maar de toewijzing uitgesteld in afwachting van nadere informatie. Inmiddels is de lening aan klaagster verstrekt.
Bovendien is de berichtgeving louter gebaseerd op uitlatingen van drie leden van klaagster, met wie zij een conflict heeft, terwijl klaagster onvoldoende in de gelegenheid is gesteld op die uitlatingen te reageren. Blank heeft op 21 november 2001 rond 17.00 uur telefonisch contact gehad met klaagsters voorzitter, Ruiter. Deze kon echter niet terstond adequaat reageren op de hem voor commentaar voorgelegde beschuldigingen, te weten dat klaagsters financiële administratie niet zou deugen. Ruiter wilde hierover eerst overleg plegen met de penningmeester van klaagster, en heeft aan Blank gevraagd de artikelen niet te publiceren voordat hij inhoudelijk
commentaar had gegeven. Niettemin zijn de gewraakte artikelen reeds de volgende dag, op 22 november 2001, geplaatst.
Verder stelt klaagster dat Vermeulen geprobeerd heeft onder valse voorwendselen, met een volmacht van een geschorst lid van klaagster, op 1 december 2001 een ledenvergadering van klaagster te bezoeken zonder zich daarbij als journalist kenbaar te maken. Bovendien heeft klaagster op 4 december 2001 een persbericht uitgegeven, dat pas ruim een week later als ingezonden brief is gepubliceerd.
Klaagster betoogt dat verweerders aldus onzorgvuldig hebben gehandeld. De onjuiste en beschuldigende berichtgeving is schadelijk voor klaagster, onder meer voor haar relatie met andere financiers. Naar aanleiding van de berichtgeving heeft een andere bank, waarmee klaagster in vergevorderde onderhandelingen was, financiering afgewezen.

Verweerders stellen dat de artikelen van 22 november 2001 op voldoende grondig onderzoek berusten. Zij hebben op de ochtend van 21 november 2001 gesproken met de drie kritische leden van klaagster en toen van hen een dossier ontvangen. Aldus hebben verweerders hun beeld over de kwestie gevormd. De informatie over de door klaagster aangevraagde lening werd bovendien bevestigd door de bank, die op dat moment geen lening aan klaagster wilde verstrekken. Dat klaagster later met de bank alsnog overeenstemming heeft bereikt, doet aan de feiten op het moment van publicatie niets af.
Verder menen verweerders dat zij klaagster voldoende gelegenheid voor wederhoor hebben geboden. Blank heeft vóór de publicaties van 22 november 2001 telefonisch contact opgenomen met Ruiter en hem als voorzitter van klaagster de gelegenheid gegeven te reageren op de geuite kritiek. Afgezien van zijn gepubliceerde uitspraken verkoos Ruiter hiervan geen gebruik te maken. Blank heeft Ruiter duidelijk gemaakt dat de publicatie niet zou worden opgeschort. Bovendien heeft Blank aangeboden onmiddellijk met Ruiter te komen praten, indien deze niet telefonisch maar wel in een persoonlijk gesprek wilde reageren. Ruiter heeft echter de boot afgehouden. Blank heeft zich vervolgens bereid verklaard met Ruiter te praten, als deze in een later stadium alsnog op het verhaal zou willen terugkomen. Die bereidheid is nadien veelvuldig herhaald. Klaagster heeft echter niet met verweerders willen praten, maar verkoos persberichten te versturen. Telkens heeft Blank contact opgenomen met het bestuur van klaagster om te laten weten wat met een persbericht werd gedaan, en heeft hij een interview aangeboden. Ondanks de weigerachtige houding van het bestuur hebben verweerders alle ruimte gegeven aan de schriftelijke reactie van klaagster.
Verweerders hebben al eerder aan klaagster laten weten dat het wellicht beter was geweest als Vermeulen zich bij binnenkomst van de ledenvergadering als verslaggever had voorgesteld. Overigens stellen zij zich op het standpunt dat voor Vermeulen de noodzaak bestond om ‘undercover’ naar de ledenvergadering te gaan, omdat hem anders op voorhand de toegang geweigerd zou zijn. De waarheidsvinding was hiermee gemoeid, en er bestond geen beter moment waarop de leden van klaagster zich open over de kwestie zouden uitlaten dan op de ledenvergadering. Vermeulen heeft de vergadering uiteindelijk niet bijgewoond omdat hij werd ontmaskerd, en heeft de volgende dag telefonisch bij Ruiter geïnformeerd naar de uitkomst van de vergadering. Ook toen weigerde Ruiter tekst en uitleg te geven.
Ten slotte stellen verweerders dat het persbericht van klaagster van 4 december 2001 als mosterd na de maaltijd kwam. Om hun goede wil te tonen hebben zij besloten het bericht toch te publiceren, zij het als ingezonden brief in de rubriek ‘Lezers schrijven’. Ook dit heeft Blank aan het bestuur van klaagster laten weten. Verweerders betreuren dat dit pas op 12 december 2001 is gebeurd, hetgeen kan worden verklaard door onbedoelde interne vertragingen en een tussengelegen weekeinde.

Verweerders concluderen dat van onjuiste, tendentieuze berichtgeving geen sprake is en dat zij ook overigens niet onzorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Blijkens de namens klaagster ter zitting gegeven toelichting wordt de kern van haar klacht gevormd door de volgende onderdelen:
a. Het publiceren van ernstige beschuldigingen aan klaagsters adres, waarbij haar onvoldoende de gelegenheid is geboden daarop te reageren.
b. Het onder valse voorwendselen proberen toegang te krijgen tot de ledenvergadering van klaagster, zonder daarbij de hoedanigheid van journalist kenbaar te maken.

In de artikelen van 22 november 2001 wordt beweerd dat de administratie van klaagster ‘ondoorzichtig’ is en dat daarmee, volgens de ex-penningmeester van klaagster, regelmatig ‘gesjoemeld’ zou zijn. Die ‘onregelmatigheden’ zouden voor de Rabobank aanleiding zijn geweest een door klaagster aangevraagde lening ‘af te wijzen’. Aldus bevatten de artikelen ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster. Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt in het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders (vgl. onder meer Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken tegen NOVA, RvdJ 2002/08). Blank heeft op 21 november 2001 rond 17.00 uur telefonisch contact opgenomen met klaagsters voorzitter met het verzoek om een reactie. Gelet op de aard van de beschuldigingen (financiële malversaties) acht de Raad het echter niet ongebruikelijk en begrijpelijk dat Ruiter een en ander eerst met de penningmeester van klaagster wenste te bespreken alvorens daarop inhoudelijk te reageren. Van een zwaarwegend maatschappelijk belang op grond waarvan publicatie niet kon worden uitgesteld, is niet gebleken. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld, door niet even af te wachten of Ruiter na overleg met zijn penningmeester alsnog inhoudelijk zou willen reageren, maar meteen – daags na het eerste contact dat op 21 november 2001 aan het eind van de middag plaatsvond – tot publicatie over te gaan. Dat verweerders uit concurrentie-overwegingen tot publicatie zijn overgegaan, zoals zij ter zitting hebben verklaard, kan daaraan niet afdoen.

Wat betreft onderdeel b. van de klacht overweegt de Raad, in lijn met eerdere uitspraken, het volgende. Een journalist behoort degene over wie hij publiceert met 'open vizier' tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem vooraf bekend moet maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang, dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, doch tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzonderheden, die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden. (vgl. onder meer: Bernaards tegen VARA TV Magazine, RvdJ 2001/37). Verweerders hebben aangevoerd dat het belang van hun werkwijze was gelegen in waarheidsvinding: een ledenvergadering zou het beste moment zijn waarop leden van klaagster zich open over de zaak zouden uitlaten. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat de aldus te vergaren informatie feiten en bijzonderheden zouden hebben betroffen als hiervoor bedoeld en evenmin dat zij die informatie niet ook op andere wijze hadden kunnen verkrijgen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerders ook op dit punt grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Noordhollands Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 augustus 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.J.M. Bueters, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. mr. V. Keur, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-34