2002/3 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.J.F. Schnetz

tegen

M. Haighton en de hoofdredacteur van Carp*

Bij brief van 21 september 2001 met tien bijlagen heeft A.J.F. Schnetz te Utrecht (klager) een klacht ingediend tegen M. Haighton en de hoofdredacteur van Carp* (verweerders). Hierop heeft Haighton geantwoord bij brief van 16 oktober 2001 met een bijlage. P. van der Klugt, hoofdredacteur, heeft eveneens in een brief van 16 oktober 2001 op de klacht gereageerd. Klager is op die reacties ingegaan in een schrijven van 4 november 2001. Daarop heeft Haighton nog gereageerd bij brief van 13 november 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2001. Namens klager is daar verschenen mr. J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders is A. Kantelberg, adjunct hoofdredacteur, verschenen.

DE FEITEN

In Carp* nummer 27 van 3 juli 2001 is een artikel van de hand van Haighton verschenen onder de kop "de raspoetin van leefbaar nederland". Het artikel wordt in de inhoudsopgave aangekondigd als volgt:
"de raspoetin van Leefbaar Nederland - Broos Schnetz is kroegbaas, huisjesmelker, multimiljonair én architect, financier en oprichter van Leefbaar Utrecht. Maar hij wil meer. Met Leefbaar Nederland uitgroeien tot de grootste partij van Nederland. Portret van een 'hele sluwe zakenman' in de politiek."
De intro van het artikel heeft een vergelijkbare inhoud. Verder bevat het artikel een groot aantal citaten, waaronder de navolgende:
* R. Freeke van de Christen Unie: "Als hij wethouder of raadslid zou zijn, zou hij inzicht moeten verschaffen in zakelijke transacties die met het gemeentelijk belang zouden kunnen conflicteren. Dat gebeurt nu niet. Het is volstrekt niet transparant. Ik beweer absoluut niet dat Schnetz zich schuldig maakt aan belangenverstrengeling. Maar het risico bestaat wel."
* E. Hoogendoorn, voormalig zakenpartner van klager: "Ook al heeft hij honderdmiljoen op zak, hij zal toch nog die ene cent die jij in je zak hebt, proberen te pakken. Schnetz is geobsedeerd door geld. De enige reden waarom hij de politiek is ingegaan, is om zijn zakelijke belangen veilig te stellen."
* C. van Leeuwen, horecaondernemer: "Van Leeuwen beschrijft Schnetz als een 'hele sluwe zakenman die vals spelen tot zijn handelsmerk heeft gemaakt.'"
* P. Broertjes, tennismaat: "Pieter Broertjes noemt hem 'een integer mens, die oprecht betrokken is bij maatschappelijke problemen en daarvoor soms onorthodoxe oplossing zoekt.'"

* H. Westbroek, boezemvriend: "Ik heb hem nog nooit op een leugen betrapt. (...) Broos is ook een ontzettend beminnelijk mens die voor iedereen klaarstaat."
* R. Giphart, schrijver: "Giphart noemt Schnetz een 'aimabele, intelligente en bevlogen persoon die een goede en waardevolle vriend van mij is geworden.'"

Voorafgaand aan de publicatie heeft Haighton klager telefonisch enkele vragen gesteld. Op 25 juni 2001 om 6:05 uur heeft Haighton heeft klager per e-mailbericht de concepttekst toegestuurd. In zijn begeleidende bericht schrijft Haighton:
"Op- en of aanmerkingen aangaande eventuele feitelijke onjuistheden, gaarne zo spoedig mogelijk doorgeven. Per mail of telefoon. In ieder geval morgenochtend voor 10:30 reactie, maar liever eerder zodat er meer tijd rest. Hopelijk kunt u zich in het geschetste profiel, dat schommelt tussen uitermate kritisch tot uitermate positief, vinden."
Hierop heeft klager nog diezelfde dag om 16:09 uur bij e-mail gereageerd. In die reactie deelt klager onder andere mee:
"Ik vind het stuk in het algemeen qua toonzetting negatief met name door onvolledigheden en onjuistheden. (...) De toonzetting is je eigen keus en verantwoordelijkheid, maar wat betreft de onjuistheden en onvolledigheden wil ik toch een poging wagen."
Vervolgens heeft klager per alinea zijn commentaar gegeven. Een deel van dat commentaar is in de definitieve tekst verwerkt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de wijze waarop het artikel tot stand is gekomen en tegen de beperkte tijd die hij heeft gekregen om te reageren. Hij wijst erop dat Haighton hem op zijn vakantieadres op zijn mobiele telefoon belde, en dat hij zich vanwege de vragen en stellingen waarmee Haighton hem confronteerde zorgen maakte over de inhoud van het artikel. Klager had de indruk dat zijn feitelijke en verifieerbare reactie niet paste in de door Haighton vooropgezette bedoeling een negatief portret van hem te maken. Met het bewust gekozen negatief kwalificerende woordgebruik is bewust getracht zijn reputatie te beschadigen en daarmee zijn de grenzen van het journalistiek toelaatbare overschreden, aldus klager. Volgens hem is het gebruik van het woord 'kroegbaas' in plaats van de term 'horecaondernemer' onnodig en is de negatieve kwalificatie 'huisjesmelker' (iemand die veelvuldig slechte huizen verhuurt tegen woekerprijzen) ten onrechte gebruikt. Voorts worden de negatieve kwalificaties 'hele sluwe zakenman' en 'raspoetin' niet onderbouwd en wordt in het artikel ten onrechte de indruk gewekt dat hij onbetrouwbaar zou zijn. Klager stelt dat hij in zijn e-mail van 25 juni 2001 Haighton op het bewust stigmatiserende woordgebruik heeft gewezen, maar dat desondanks dat woordgebruik is gehandhaafd.
Verder stelt klager dat in diverse passages op onjuiste en suggestieve wijze over hem wordt bericht. Weliswaar is een aantal (verkorte) weerwoorden opgenomen, maar een goed journalist kan daarmee niet volstaan. De journalist zal moeten beoordelen in hoeverre het verantwoord is geformuleerde verwijten te handhaven indien daarop een valide weerwoord wordt gegeven. In dit verband wijst hij allereerst op de passage over zijn werkverleden, waarin ten onrechte de indruk wordt gewekt dat hij ter zake onjuiste informatie zou hebben verstrekt en dat zijn arbeidsverleden verdacht zou zijn. Volgens klager had zijn schriftelijke reactie op de bewuste passage voor Haighton voldoende aanleiding moeten zijn om de in een suggestieve context geplaatste uitlatingen omtrent zijn werkverleden te schrappen.
Verder heeft klager ernstige bezwaren tegen de passage over een kort geding tussen hem en SP-raadsleden, en de passages waarin R. Freeke, E. Hoogendoorn en C. van Leeuwen aan het woord zijn gelaten. Haighton heeft onzorgvuldig gehandeld door deze personen ernstige, onjuiste en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klager te laten uiten.
Klager concludeert dat het artikel onjuist, onzorgvuldig en onnodig grievend is. Haighton heeft nagelaten de in het artikel geuite ernstige beschuldigingen aan klagers adres deugdelijk te onderbouwen en heeft het beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende toegepast. Het klachtwaardige gedrag van Haighton wordt benadrukt door de als feiten gepresenteerde samenvatting van het artikel in de inhoudsopgave en de intro van het artikel waarin verwijten als feiten worden gebracht. Aldus is klagers persoonlijke integriteit op grove wijze aangetast, zonder dat daar gegronde redenen voor aanwezig zijn.

Van der Klugt stelt voorop dat klager nimmer contact met hem heeft opgenomen over de gang van zaken rond de totstandkoming van het artikel noch over de mogelijke onvrede over de publicatie zelf. Volgens Van der Klugt kent het artikel een gedegen opbouw en biedt het een genuanceerd inzicht in het (publieke) optreden van klager. Het ging verweerders erom een kritisch licht te laten schijnen over de rol die klager vervult in een politieke beweging en daarbuiten, en daar zijn zij in geslaagd, aldus Van der Klugt.
Haighton voegt hieraan toe dat de concepttekst conform afspraak per e-mail op maandagmorgen 25 juni 2001 aan klager is toegestuurd, de dag dat klager naar eigen zeggen van vakantie zou terugkomen, met het verzoek de volgende ochtend voor 10:30 uur te reageren. Aangezien klager nog diezelfde maandagmiddag het artikel uitvoerig van commentaar heeft voorzien, is niet duidelijk waarom hij zich beklaagt over de beperkte tijd voor het geven van een reactie. Klager had nog ruim de tijd, aldus Haighton. Verder stelt hij dat niet met klager is overeengekomen dat het artikel zonder zijn volledige goedkeuring niet zou worden geplaatst noch dat het weerwoord van klager en al zijn correcties volledig zouden worden overgenomen. Met klager is de journalistiek gebruikelijke afspraak gemaakt dat hij het artikel voor publicatie mocht inzien om dit te controleren op feitelijke onjuistheden. Dit is gebeurd, en feitelijke onjuistheden zijn gecorrigeerd. Daarnaast zijn de passages die volgens klager suggestief zouden zijn in het artikel van een weerwoord voorzien. Daarmee is volgens Haighton niet alleen het principe van hoor en wederhoor volledig toegepast, maar is aan klager ook de ruimte gegeven zich ruimschoots te verweren. Wat betreft klagers bezwaren betreffende het gebruik van negatief kwalificerend woordgebruik stelt Haighton onder meer dat de term 'huisjesmelker' in de volksmond een meer geaccepteerde en gebruikte benaming is voor iemand die op grote schaal woningen en pander verhuurt, dan het door klager aangedragen alternatief 'belegger in onroerende zaken'. Bovendien is in de uiteindelijke tekst het weerwoord van klager opgenomen: "Noem mij geen huisjesmelker. Al mijn onroerend goed wordt goed onderhouden, met contracten verhuurd volgens wettelijke puntenregels." De kwalificatie 'hele sluwe zakenman' is verder niet door Haighton bedacht, maar refereert aan het citaat van C. van Leeuwen die in het artikel aan het woord komt en uitlegt waarom hij klager een 'hele sluwe zakenman' vindt 'die vals spelen tot zijn handelsmerk heeft gemaakt.' Voorts laten twee met naam en toenaam geciteerde bronnen zich in het artikel in negatieve zin uit over hun zakelijk treffen met klager. De kwalificatie 'raspoetin' komt geheel voor rekening van Haighton, die meent deze conclusie te kunnen trekken op basis van diverse gesprekken met bronnen die in het artikel worden opgevoerd. Het is niet juist dat uit het artikel niet duidelijk wordt waarop deze kwalificatie stoelt, zoals klager suggereert. Immers, in diverse alinea's wordt klager aan de hand van concrete voorbeelden door zowel Haighton als de geciteerde bronnen omschreven als iemand die achter de schermen grote invloed uitoefent en graag de hoofdrol op de achtergrond speelt. De kop van het artikel dekt volledig de inhoud van de tekst, aldus Haighton.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Freeke, Hoogendoorn en Van Leeuwen uiten verwijten aan het adres van klager die, zeker wanneer zij tezamen worden genomen, hem zonder meer in een kwaad daglicht stellen: een vals spelende zakenman die alleen maar in de politiek is gegaan om zijn zakelijke belangen veilig te stellen en die zich mogelijk schuldig maakt aan belangenverstrengeling. Daarnaast wordt gesuggereerd dat klager bekend zou staan als 'huisjesmelker' en 'de raspoetin (van Leefbaar Nederland)', voor welke negatieve kwalificaties echter, naar gebleken is, geen andere bron bestaat dan het eigen oordeel van de journalist die het gewraakte artikel heeft geschreven.

Zoals de Raad bij herhaling heeft geoordeeld, dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen - waaronder ook verstaan moeten worden van derden afkomstige verwijten en kwalificaties als waarvan hier sprake is - met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. (vgl. onder meer Van Katwijk tegen Hovius en het Algemeen Dagblad, RvdJ 2001/43).
Dat is in dit geval ook gebeurd. Klager is in de gelegenheid gesteld te reageren op de concepttekst van het artikel, waarvan de kop toen nog luidde "Broos Schnetz, hoofdrolspeler achter de schermen". Klager heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt, en niet gezegd kan worden dat voor zijn reacties - die overigens geen betrekking hadden op de kwalificatie 'raspoetin' en evenmin op de hiervoor aangehaalde verwijten van de kant van Hoogendoorn - in het artikel slechts een zodanige plaats is ingeruimd dat geen behoorlijke toepassing is gegeven aan het recht op wederhoor. Anders dan klager meent, valt niet in te zien dat diens weerwoord voor Haighton, die niet over een nacht ijs is gegaan, aanleiding had moeten zijn tot hetzij nader onderzoek hetzij schrapping of afzwakking van de passages waar het hier om gaat.
De Raad deelt niet klagers bezwaren tegen de passage waaruit blijkt van een meningsverschil tussen de voorlichter van Fortis Bank en klager over de aard van diens werkzaamheden destijds bij Pierson, Heldring & Pierson. Ook het daarbij onvermeld laten van de functie die klager van 1985 tot 1989 bij de Banque Paribas vervulde (blijkens het door klager overgelegde visitekaartje 'manager international securities department'), maakt die passage nog niet misleidend of onjuist.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de wijze waarop in het artikel aandacht wordt besteed aan het vonnis in het kort geding van klager tegen de SP kan de Raad klager evenmin volgen: als klager meent dat de door hem aangestreepte passages in dat vonnis voor hem gunstige oordelen bevatten die in het artikel niet onvermeld hadden mogen blijven dan berust die mening op een onjuiste lezing van het vonnis. Verweerders hebben niet bestreden dat klager, zoals hij stelt, slechts eenmaal een kort geding heeft aangespannen. De mededeling in het artikel dat klager wel vaker naar het wapen van het kort geding grijpt is derhalve zonder meer onjuist. Anders dan verweerders menen kan de toevoeging "Of mee te maken krijgt." daaraan niet afdoen. Deze fout is echter van onvoldoende gewicht om te kunnen leiden tot het oordeel dat de grenzen van behoorlijk journalistiek handelen zijn overschreden.

Bij het schrijven van een profiel kan niet worden volstaan met een loutere optelsom van uit de mond van derden opgetekende inlichtingen, karakteromschrijvingen van en/of anekdotes. De journalist heeft een eigen verantwoordelijkheid die meebrengt dat hij de door hem verkregen gegevens weegt en toetst, teneinde ervoor zorg te dragen dat een beeld wordt geschetst dat recht doet aan de werkelijkheid. Als dat beeld in aanzienlijke mate negatief is, zoals in dit geval, bestaat aanleiding voor bijzondere zorgvuldigheid. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat Haighton, die aan het slot van zijn artikel vrij uitvoerig drie vrienden van klager aan het woord laat die klager prijzen als een integer en aimabel mens, die zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Een en ander leidt tot ongegrondverklaring van de klachten.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Carp* te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 januari 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur, mw. C.D. Smolders, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-3