2002/28 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.E. van Duinen en J. van Dijk

tegen

de VPRO

Bij brief van 11 januari 2002 met als bijlagen een videoband van de gewraakte documentaire en een groot aantal stukken, hebben P.E. van Duinen te De Lier en J. van Dijk te Berkel en Rodenrijs (klagers) een klacht ingediend tegen de VPRO (verweerder).
D. Lunenborg, hoofdredacteur Televisie van de VPRO, heeft hierop gereageerd in een brief van 13 februari 2002, met bijgevoegd een literatuurlijst en 6 bijlagen. Klagers hebben hierop gereageerd in een brief van 10 maart 2002, waarop bij brief van 23 april 2002 nader is gereageerd door S. Tan en H. Fels, de makers van de documentaire.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 2002. Namens klagers waren aanwezig J. van Dijk en haar echtgenoot E. Dullaart; namens verweerder waren aanwezig S. Tan, H. Fels en F. Stoopendaal.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 9 december 2001 is door de VPRO, in de serie Dokwerk, de documentaire “Zwaar Hart” uitgezonden. Deze documentaire behelst de geschiedenis van het zigeunerorkest Tata Mirando. In de documentaire wordt aandacht besteed aan wat een groot deel van de zigeuners voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is overkomen. In dat verband komt onder meer de rol van A. Vlak, agent van politie te Den Haag, aan de orde.

In de documentaire wordt belicht dat Vlak tijdens de Tweede Wereldoorlog namens het Politiekorps van Den Haag verantwoordelijk was voor het contact met de zigeuners, met wie hij een vertrouwensband had opgebouwd. Vervolgens wordt gesteld dat Vlak betrokken was bij een van de razzia’s in Den Haag, op 16 mei 1944. De bij deze razzia opgepakte zigeuners zijn afgevoerd naar Westerbork en veelal niet teruggekeerd. Een ooggetuige verklaart in de documentaire dat hij Vlak tijdens de razzia heeft gezien. Aandacht wordt besteed aan het feit dat de zigeuners zich door hun vertrouwensman verraden voelden.

Een lijst wordt in beeld gebracht van namen van zigeuners die destijds in Den Haag woonden. Vervolgens wordt een passage voorgelezen uit het personeelsdossier van Vlak en een brief getoond uit 1968. In deze brief wordt voorgesteld Vlak een ridderorde toe te kennen, op grond van inspanningen op sociaal gebied ten behoeve van de zigeuners in Den Haag. Daarna wordt een lijst getoond van de namen van alle mensen die in genoemd jaar een ridderorde hebben ontvangen, waaronder Vlak. Op deze lijst wordt een ridderorde gelegd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn schoonzoon en kleindochter van A. Vlak. Hun klacht is drieledig. Ten eerste vinden klagers dat verweerder onzorgvuldig is omgegaan met bronnenmateriaal. Zij stellen dat voor de documentaire gebruik is gemaakt van informatie verstrekt door R. Wuite, auteur van het boek “Den Haag: zigeuners en hun vervolging”. Wuite had eerder, in mei 2001, al aantijgingen aan het adres van Vlak geuit, in uitzendingen van Radio West en in de Haagsche Courant. Klagers ervaren Wuite als niet objectief.
Ten tweede vinden zij de documentaire suggestief. De suggestie wordt gewekt dat Vlak ten onrechte een ridderorde heeft ontvangen nu hij in de Tweede Wereldoorlog zigeuners heeft verraden. Klagers vinden deze suggestie onjuist en nodeloos beschadigend. Zij wijzen erop dat Vlak ook na 1945 de belangen van zigeuners in Den Haag heeft behartigd.
Ten derde stellen klagers dat geen wederhoor is toegepast, hoewel daartoe gelegenheid was. Zij hebben naar aanleiding van een vooraankondiging van de documentaire contact gezocht met verweerder, maar deze had geen interesse om met klagers te spreken. Klagers beschikken echter over materiaal, dat erop wijst dat Vlak deel heeft uitgemaakt van het verzet. Verweerder had hiervan kennis kunnen nemen en dit in de documentaire kunnen verwerken, indien wederhoor was toegepast.

Verweerder wijst erop dat de documentaire gaat over de geschiedenis van het zigeunerorkest Tata Mirando. Het is geen uitputtende reconstructie van de rol van de Haagse politie bij de deportatie van zigeuners in de Tweede Wereldoorlog. Desondanks is uit openbare bronnen, literatuur en radioprogramma’s het nodige hierover bekend. Wuite heeft als bron gefungeerd, maar naast hem zijn diverse andere bronnen geraadpleegd. Voorts hebben de makers van de documentaire zelf research gedaan, onder meer door het voeren van een groot aantal persoonlijke gesprekken met vele zigeuners in het land. Uit de persoonlijke getuigenissen en de overige bronnen komen zowel de vertrouwensband tussen Vlak en de zigeuners naar voren, alsook de betrokkenheid van Vlak bij de razzia van 16 mei 1944.
Verweerder merkt op dat klagers nooit eerder hebben gereageerd op (zelfs recente) radio-uitzendingen en krantenartikelen over dit onderwerp. Ten tijde van het telefoongesprek met de schoonzoon van Vlak in oktober 2001, was de documentaire af en al twee maal vertoond. Diens mededeling dat Vlak in het verzet zou hebben gezeten, kwam op verweerder ongeloofwaardig over. Dat heeft de doorslag gegeven in de afweging niet meer ruimte voor wederhoor te geven dan in het telefoongesprek was geboden. Ook als Vlak in bepaalde opzichten als verzetsman zou kunnen worden aangemerkt, kon dat op basis van de verzamelde informatie geen betrekking hebben op zijn rol als weergegeven in de documentaire.
Verweerder stelt zich op voldoende en juiste bronnen te hebben gebaseerd, meent dat er geen suggesties zijn gewekt die niet door de inhoud van de documentaire gedragen worden en meent dat er geen aanleiding was voor wederhoor.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Uit de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder zich voor de documentaire heeft gebaseerd op vele verschillende bronnen. Deze bronnen, waaronder ooggetuigenverklaringen, wijzen alle op betrokkenheid, in ieder geval aanwezigheid van Vlak bij de razzia van 16 mei 1944. Verweerder heeft voor hetgeen in de documentaire naar voren is gebracht, ook waar het de rol van Vlak betreft, voldoende grondig onderzoek gedaan naar de achtergronden van de kwestie. Ook is verweerder zorgvuldig omgegaan met bronnenmateriaal.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht is op zich juist dat er enige suggestie uitgaat van het tonen van de ridderorde, volgend op de opmerkingen omtrent betrokkenheid van Vlak bij de razzia. Gelet op de geschetste omstandigheden is de vraag legitiem of beide feiten met elkaar te rijmen zijn. Het is niet in strijd met hetgeen naar journalistieke maatstaven geoorloofd is om deze discrepantie aan de orde te stellen en evenmin om dat op de gekozen wijze te doen. Ook als Vlak na 1945 nog activiteiten ten behoeve van de zigeuners zou hebben ontplooid, hetgeen de Raad niet kan beoordelen, kan dat daaraan niet afdoen.

Met betrekking tot de vraag of klagers meer ruimte had moeten worden geboden voor wederhoor, is allereerst van belang dat de documentaire niet over Vlak ging of over de rol van de Haagse politie in de Tweede Wereldoorlog, maar over het zigeunerorkest Tata Mirando en de “werdegang” van de zigeuners voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Er was op voorhand geen aanleiding contact te zoeken met nabestaanden van Vlak, zeker niet nu deze op eerdere publicaties, zelfs recente radio-uitzendingen, niet hadden gereageerd. Dat verweerder een gesprek uit de weg is gegaan toen klagers zelf contact zochten, getuigt niet van welwillendheid. Ter zitting is echter gebleken dat de familie met verweerder wilde spreken over het vermeende verzetsverleden van Vlak. Wat klagers daarover ook wilden zeggen, dit onderwerp was niet relevant voor de inhoud van de documentaire, zodat verweerder niet gehouden was wederhoor toe te passen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder in haar uitzending aan deze beslissing aandacht te besteden.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 augustus 2002 door mr. A. Herstel, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-28