2002/27

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

J. Damman (Jomanda)

 

 

 

tegen

 

 

 

S. Poortinga en de hoofdredacteur van METRO

 

 

 

Bij brief van 11 december 2001 met een bijlage heeft mr. B.W. Maris, advocaat te Benschop, namens J. Damman (klaagster) een klacht ingediend tegen S. Poortinga en de hoofdredacteur van METRO (verweerders). Hierop heeft mr. P. de Vos, advocaat te Amsterdam, namens verweerders gereageerd in een verweerschrift van 30 januari 2002.

 

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 maart 2002. Klaagster en haar advocaat zijn daar verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn mr. De Vos en S. de Groot, algemeen directeur van Metro Holland B.V., verschenen. Mr. Maris en mr. de Vos hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.

 

 

 

 

 

DE FEITEN

Op 6 november 2001 is in METRO in de rubriek ‘Column’ een artikel van de hand van Poortinga verschenen onder de kop “Herstel ‘De Waag’ voor Jomanda”. Bij het artikel is een pasfoto van Poortinga geplaatst met daaronder zijn volledige naam en de aanduiding ‘Reiziger’. De column bevat onder meer de volgende passage:
“Godverdomme, die Jomanda. Dat addergebroed dat vanuit Tiel de labielen onder ons wil doen geloven dat zij contact heeft met Het Hogere. Dat verschrikkelijke wijf dat lange tijd uit het nieuws was maar nu wederom van zich doet spreken. Niet omdat ze nu via de radio water in wijn kan veranderen of zo. Nee, omdat ze nu regelrecht mensen de dood injaagt om ze daarna te interviewen. (...) Jomanda heeft weer wat nieuws gevonden om haar zakken te vullen. Het zelfbenoemde ‘genezende medium’ raakte enkele weken geleden in opspraak omdat ze haar invloed op Sylvia Millecam zo zou hebben aangewend dat de doodzieke actrice geen reguliere hulp inriep. Met fatale gevolgen. (...) Doodleuk kondigt ze aan dat ze een boekje wil uitgeven waarin de weergave van gesprekken staan die ze na het overlijden van Millecam met haar vanuit het geestenrijk heeft gehad...”
De column eindigt met de zin:
“Het wordt tijd dat we ‘De Waag’ in Oudewater weer eens in ere gaan herstellen.”

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat Poortinga zeer negatief, discriminerend en denigrerend over haar en de mensen die haar bijeenkomsten bezoeken heeft geschreven. De column bevat bovendien onjuistheden. Onder meer wordt ten onrechte beweerd dat klaagster ‘haar zakken vult’ en Sylvia Millecam aan het reguliere medische circuit zou hebben onttrokken en aldus ‘mensen rechtstreeks de dood injaagt’.

 

 

Klaagster erkent dat aan een columnist in beginsel de vrijheid toekomt om een persoonlijk oordeel te geven over nieuwsfeiten. Het gaat in de gewraakte column echter niet over nieuwsfeiten maar over verdachtmakingen, aldus klaagster. Zij meent dat ook de vrijheid van een columnist grenzen kent en dat die hier zijn overschreden. Volgens klaagster hebben verweerders zeer onzorgvuldig gehandeld, ten gevolge waarvan zij in haar eer en goede naam is aangetast en aanzienlijke schade lijdt.

 

 

 

Verweerders stellen dat Poortinga in zijn column kritiek heeft willen uiten op de gedragingen en uitlatingen van klaagster die hem via de media bekend zijn geworden. Na het overlijden van Sylvia Millecam hebben velen de uitlatingen van klaagster bekritiseerd en hebben specialisten van het in de behandeling van kanker gespecialiseerde Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis te Amsterdam zich negatief uitgelaten over de handelwijze van klaagster in relatie tot Sylvia Millecam. In het licht van deze publiciteit heeft Poortinga zijn verontwaardiging geuit. Tegen deze achtergrond en in die context moet de column worden bezien.
Verder staat het een columnist vrij zijn mening te uiten. Dat Poortinga zich heeft bediend van het stijlmiddel van overdrijving en de column daardoor tevens een humoristisch karakter heeft, doet daar niet aan af. Uit uitspraken van de Raad blijkt dat aan een column een bijzondere positie toekomt en dat een columnist zich mag bedienen van het stijlmiddel van de overdrijving. Voorts moet rekening worden gehouden met de aanleiding tot de column en met het feit dat Poortinga zich met recht heeft opgewonden over de objectief onverantwoordelijke en niet te rechtvaardigen handelwijze van klaagster. Hij mocht de kwalificatie ‘addergebroed’ gebruiken, en de zinsneden ‘regelrecht de dood injagen’ en ‘zakkenvullen’ mogen niet letterlijk worden genomen. Ook de verwijzing naar de heksenwaag is in de context begrijpelijk en passend. Verweerders menen dat een behandeling van een onderwerp in een column een simplificerende benadering in sterke bewoordingen rechtvaardigt. Door de gekozen bewoordingen wordt extra aandacht gevraagd voor het behandelde onderwerp. Daarbij komt dat klaagster een ‘public figure’ is, zodat zij ten aanzien van publicaties omtrent haar persoon meer te dulden heeft dan anderen. Een dergelijke ‘public figure’ moet tegen kritiek kunnen, zeker als deze zich bloot stelt aan negatieve publiciteit.
Verweerders concluderen dat van onzorgvuldig handelen geen sprake is. Evenmin kan de publicatie als onnodig grievend of als laster worden gekwalificeerd. Normen die kwaliteit en fatsoen beogen zijn niet geschonden en ook anderszins is niet klachtwaardig gehandeld.

 

 

 

Met betrekking tot de wijze waarop Poortinga zijn werkzaamheden voor METRO verricht hebben verweerders desgevraagd ter zitting laten weten dat Poortinga ongeveer een keer per 10 tot 14 dagen een artikel schrijft voor de rubriek ‘Column’. METRO plaatst in die rubriek bijdragen van verschillende soorten columnisten, waaronder wetenschappers en journalisten, en ook ‘reizigers’ vanwege het ‘reisaspect’ dat aan METRO verbonden is. Momenteel is Poortinga de enige ‘reiziger’ die in de rubriek ‘Column’ publiceert, en wel over alles wat leeft onder het lezerspubliek van METRO. Op verzoek van de Raad hebben verweerders tenslotte bij brief van 2 april 2002 aan de Raad bericht dat Poortinga sinds juni 1999 als columnist in METRO schrijft.

 

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gewraakte artikel is geplaatst in de vaste rubriek ‘Column’ van het dagblad METRO. Deze rubriek is duidelijk ingekaderd en gaat vergezeld van een pasfoto van de columnist. Poortinga leverde in november 2001 al geruime tijd op regelmatige basis bijdragen aan deze rubriek. Het moet dan ook voor de lezers van METRO duidelijk zijn geweest dat het artikel de mening van de columnist behelst.

 

 

De gewraakte column kan worden beschouwd als een uiting van de commotie die ontstond over de rol van klaagster rond de ziekte van de uiteindelijk overleden actrice Sylvia Millecam. De column kan ronduit grof worden genoemd. Er wordt regelrecht op de persoon gespeeld en van ironie is vrijwel niets te bespeuren. De vraag dringt zich op of columnisten en nieuwsmedia er verstandig aan doen columns van een dergelijke kwaliteit ter plaatsing aan te bieden c.q. te plaatsen, mede gezien het feit dat daardoor niet alleen de desbetreffende persoon ernstig wordt gekrenkt, maar ook doordat daarvan een escalerende werking in het maatschappelijk debat uitgaat. In dit geval kan bovendien de vraag worden opgeworpen of de columnist binnen de grenzen van het algemeen geldende recht is gebleven.

 

 

 

In eerdere uitspraken heeft de Raad te kennen gegeven dat aan columnisten een grote vrijheid toekomt om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen, waarbij stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd zijn, zij zich stellig mogen uitdrukken en desgewenst scheldwoorden mogen bezigen. De column is een journalistiek genre waar meer mag dan in andere journalistieke genres. Dat is op zichzelf waardevol. Maar ook de vrijheid van de columnist kent haar grenzen. Enerzijds worden die bepaald door de wet, zodat bijvoorbeeld het oproepen tot rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat ontoelaatbaar is. Anderzijds worden die bepaald door wat, gegeven de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Van overschrijding van deze grenzen is sprake wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen trekken waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven.
(vgl. onder meer: Bolhuis/Medendorp en De Roskam, RvdJ 2001/51; Broenink/Medendorp en De Roskam, RvdJ 1999/36; St. Beter Wonen in Leeuwarden en Leeuwarderadeel/Nijdam, Leeuwarder Courant en De Friese Pers, RvdJ 1996/27; Landelijk Bureau Racisme-bestrijding/Hoogland en De Telegraaf, RvdJ 1996/22; Baalman/Gooi- en Eemlander, van Tijn en Homma, RvdJ 1995/20; Bouwvereniging St. Willibrordus/Ephimenco, RvdJ 1994/5; Jansen/Reijn, RvdJ 1993/21).

 

 

 

Op grond van het bovenstaande is de vraag aan de orde of in de gewraakte column sprake is van kwalificaties of vergelijkingen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. De Raad is van oordeel dat de meeste van de voor klaagster gebruikte (dis-)kwalificaties binnen de hierboven aangegeven grenzen blijven. Daarbij speelt een rol dat in de periode na het overlijden van Sylvia Millecam de handelwijze van klaagster onderwerp was van een publiek debat, waarin ook de boosheid en verontwaardiging waaraan in de column uiting wordt gegeven, een rol speelden.

 

 

 

De grenzen van hetgeen - gegeven de journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is, worden echter overschreden waar in de column wordt gesteld dat klaagster 'mensen regelrecht de dood injaagt'. Verweerders hebben geen feiten naar voren gebracht die in redelijkheid aanleiding kunnen geven tot deze ernstige beschuldiging.

 

 

 

Gelet op het bovenstaande is de klacht gedeeltelijk gegrond.

 

 

 

 

 

BESLISSING

De klacht is gegrond voorzover in de column wordt gezegd dat klaagster 'mensen regelrecht de dood injaagt'. Voor het overige is de klacht ongegrond.

 

 

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in METRO te publiceren.

 

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 juli 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

 

 

 

Uitspraak 2002-27