2002/26 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

A. Theunissen en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 31 januari 2002 met een bijlage heeft mr. J.H. Pelle, advocaat te Den Haag, namens X (klaagster) een klacht ingediend tegen A. Theunissen en de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerders). Hierop heeft J. Tromp, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders gereageerd bij brief van 1 februari 2002. Mr. Pelle heeft nog op dit verweer geantwoord in een brief van 25 februari 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2002. Klaagster en haar raadsman alsmede voornoemde Tromp zijn daar verschenen.

DE FEITEN

Op 17 november 2001 is in het Volkskrant Magazine een artikel van de hand van Theunissen verschenen onder de kop “’Mijn plek is bij de dolfijnen’”. In het artikel vertelt klaagsters ex-vriend onder pseudoniem over de dood van hun zoontje. De intro van het artikel luidt:
“Zijn 2-jarig zoontje stierf na een hersenbloeding als gevolg van een harde klap. De ware toedracht van het ongeval dat plaatsvond bij de vriend van zijn ex, is onbekend. PETER (35) vond troost bij de dolfijnen. ‘Van een nachtmerrie belandde ik in een mooie droom.’”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
“Sinds we een jaar daarvoor onze relatie hadden verbroken, zorgden we om beurten voor hem. Die avond was zij gaan werken. Haar vriend paste op. (…) De vriend van mijn ex zei van geen ongeval te weten. Hij had mijn zoon naar bed gebracht en toen hij na een tijdje nog even ging kijken, zag hij hem liggen in een rare houding. Stikkend in zijn braaksel, rollend met zijn ogen. Dat is zijn lezing. Het kan zijn dat mijn zoontje tijdens het spelen is gevallen op de betonnen keukenvloer en dat hij dat niet heeft opgemerkt. Ik weet dat hij veel blowde en daardoor soms ‘afwezig’ was. Tot hij een verhouding kreeg met mijn vriendin was het namelijk een vriend van me. Maar ik weet ook dat hij agressief kan zijn en weleens was veroordeeld voor een geweldsdelict. Hij is na de dood van mijn zoon aangehouden op verdenking van doodslag en meerdere dagen verhoord, maar wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.”
Het slot van het artikel luidt:
“Als ik denk aan mijn zoon, dan leeft hij doorgaans en voel ik een bepaalde rust. Maar soms duikt ineens het beeld op van zijn sterfbed en rijst de twijfel. Ik geloof heel graag in het beste scenario: dat hij onopgemerkt is gevallen. Als ik in mijn hart kijk, acht ik die jongen ook niet in staat een 2-jarig kind iets aan te doen. Maar zolang er geen duidelijkheid bestaat over het ongeval, kan ik zijn dood niet helemaal loslaten. Toch ben ik dankbaar dat iets heel lelijks is mijn leven is uitgegroeid tot iets moois.’”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat sprake is van onjuiste en eenzijdige berichtgeving en dat met name de gebeurtenissen rond de dood van haar zoon niet correct zijn weergegeven. Verweerders hebben de uitlatingen van klaagsters ex-vriend niet op waarheid getoetst. Haar ex-vriend insinueert dat klaagster en haar huidige partner een actieve dan wel passieve rol zouden hebben gespeeld bij de dood van haar kind. Bij het publiceren van dit ernstige verwijt hadden verweerders wederhoor moeten toepassen, hetgeen zij ten onrechte hebben nagelaten.
Verder is klaagster plotseling ongevraagd geconfronteerd met het artikel. Dat heeft, mede gelet op de voorgeschiedenis, sterke emotionele gevoelens teweeggebracht. Met name omdat bij de neutrale lezer de indruk zal ontstaan dat klaagster en haar partner de hand in de dood van het jongetje zouden hebben gehad.
Klaagster meent voorts dat haar privacy en die van haar huidige partner zijn geschonden. De dood van het zoontje van klaagster heeft in haar familie-, kennissen en werkkring tot grote ophef geleid. In het artikel wordt zoveel informatie verschaft en op een zodanige wijze, dat een ieder die bekend is met de dood van klaagsters zoontje, direct in het artikel het zoontje, klaagster en haar huidige vriend zal herkennen. Daarbij komt dat bij het een artikel een foto van klaagsters ex-vriend is geplaatst. Weliswaar is slechts een gedeelte van zijn gezicht zichtbaar, maar ieder die hem kent, zal hem op de foto herkennen. Daardoor wordt nog eens extra duidelijk gemaakt dat het artikel onder meer gaat over de tragische dood van klaagsters zoon. Ten slotte heeft klaagster niet vóór publicatie in haar eigen bewoordingen op het artikel kunnen reageren.
Klaagster komt tot de conclusie dat verweerders hebben gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, en haar op een suggestieve wijze een ernstig verwijt hebben gemaakt. Daarbij zijn verweerders niet met bijzonderde zorgvuldigheid te werk gegaan.

Verweerders stellen dat het artikel uitsluitend bestaat uit geciteerde tekst van de geïnterviewde. Het artikel is zonder medeweten en toestemming van klaagster geplaatst, maar dat betekent niet dat sprake is van een verwijtbaar verzuim, aldus verweerders. Volgens hen voert het te ver wanneer van een journalist wordt verlangd dat hij aan personen waarover een geïnterviewde spreekt, toestemming zou moeten vragen hen in de berichtgeving te mogen betrekken. Dat zou een ernstige aantasting van de persvrijheid betekenen.
Bovendien is in het artikel keurig vermeld dat het strafrechtelijk onderzoek geen grond opleverde om de huidige partner van klaagster te vervolgen. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onjuiste en eenzijdige berichtgeving.
Verder stellen verweerders dat het artikel volledig gedepersonaliseerd is. Zelfs klaagsters ex-vriend wordt anoniem aangeduid met een andere voornaam. De namen van klaagster en haar huidige partner waren de interviewster niet eens bekend. De geïnterviewde heeft de uiterste discretie in acht genomen, waardoor het niet eens mogelijk was wederhoor toe te passen, hetgeen in dit geval ook niet noodzakelijk was. Klaagster en haar huidige partner waren in het artikel hooguit herkenbaar voor hun directe omgeving, maar die was blijkens het klaagschrift al volledig op de hoogte van de gebeurtenissen.
Publicatie van de foto zou onder omstandigheden hoogstens een inbreuk op de privacy van klaagsters ex-vriend kunnen opleveren. Het feit dat hij ooit een relatie met klaagster had, betekent niet dat nooit een portret van hem zou mogen worden gepubliceerd omdat dat in kleine kring zou kunnen leiden tot identificatie van klaagster.
Samenvattend menen verweerders dat sprake is van zorgvuldige journalistiek, waarbij zij erin zijn geslaagd een gevoelig onderwerp te beschrijven zonder de persoonlijke levenssfeer van enig bij het onderwerp betrokken persoon te schenden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in twee onderdelen:
a. Er is sprake van eenzijdige, onjuiste en suggestieve berichtgeving, waarbij ten onrechte geen wederhoor is toegepast.
b. De privacy van klaagster en haar huidige partner is geschonden.

Niet gebleken is dat het artikel relevante onjuistheden bevat. Over de doodsoorzaak heeft destijds, zoals klaagster ter zitting ook heeft bevestigd, aanzienlijke twijfel bestaan: de arts heeft aanvankelijk geen verklaring van natuurlijk overlijden willen verstrekken en tegen zowel klaagster als haar huidige partner heeft in verband met het overlijden van het kind een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden.
In het artikel valt, anders dan klaagster meent, niet de suggestie te lezen dat klaagster in verband met dat overlijden enig verwijt treft. Klaagsters ex-vriend vertelt over zijn persoonlijke ervaringen en indrukken in verband met de dood van zijn en klaagsters kind. Hij uit zijn twijfels over de doodsoorzaak en vraagt zich af of de huidige partner van klaagster, die oppaste op de avond dat het kind in verband met een ‘doorbraakbloeding’ – een hersenbloeding die ontstaat na een zware klap op het hoofd – in het ziekenhuis werd opgenomen, daarbij mogelijk een rol heeft gespeeld. Naar waarheid wordt vermeld dat die huidige partner op verdenking van doodslag is aangehouden en enige dagen verhoord, maar evenzeer naar waarheid wordt daaraan toegevoegd dat hij wegens gebrek aan bewijs is vrijgelaten. Voor zover met deze mededelingen al een suggestie wordt gewekt die verder gaat dan het vermoeden van betrokkenheid dat gezien de aanhouding op verdenking van doodslag tegen de huidige partner van klaagster heeft bestaan, wordt die suggestie in het artikel afdoende geneutraliseerd, daar waar in de voorlaatste alinea gezegd wordt: “Als ik in mijn hart kijk, acht ik die jongen ook niet in staat een 2-jarig kind iets aan te doen.”
Dit in aanmerking genomen was het toepassen van wederhoor niet vereist. Onderdeel a. is ongegrond.

Ook onderdeel b. is ongegrond. Dat klaagster voor personen in haar directe omgeving in het artikel herkenbaar is en door hen op de gebeurtenis kan worden aangesproken is, naar het oordeel van de Raad primair een consequentie van die gebeurtenis en niet een gevolg van het gewraakte bericht (vgl. onder meer: X/Nieuws TV, RvdJ 2000/60).

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant c.q. het Volkskrant Magazine te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 juli 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.J.M. Bueters, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. mr. V. Keur, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-26