2002/25 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Jarir en A. Jarir

tegen

de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 19 december 2001 met vier bijlagen heeft J. Kuitert van het Anti Discriminatie Bureau Friesland te Leeuwarden namens H. Jarir en A. Jarir (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (verweerder). Daarop is door R. Mulder, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, gereageerd bij brief van 27 december 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2002 in aanwezigheid van klagers, Y. Jarir (zoon van A. Jarir), en hun gemachtigde. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 24 september 2001 is in de Leeuwarder Courant een artikel verschenen onder de kop “Begrip aanslag kost leerling plaats in leger”. De intro van het artikel luidt:
“Een Marokkaanse leerling van Friese Poort in Leeuwarden is uit de opleiding voor de Koninklijke Landmacht gezet. De knaap, die in Leeuwarden woont, toonde begrip voor de aanslagen in Amerika en de vermeende verdachte, Osama Bin laden.”
Het artikel is gebaseerd op uitlatingen van de directeur van Friese Poort, de heer D. Postma. In vervolgberichten over de kwestie in de Leeuwarder Courant van 25 september en 17 december 2001, met de kop “Leger weert supporters terroristen” respectievelijk “Defensie laat leerling Friese Poort weer toe”, wordt de jongen aangeduid als zijnde ‘van Marokkaanse afkomst’. Laatstgenoemd artikel bevatte het bericht dat de leerling inmiddels weer tot de opleiding was toegelaten, na gesprekken tussen de schoolleiding, de verantwoordelijke overste van het bataljon in Assen, de jongen en zijn familie en een medewerker van het Anti Discriminatie Bureau.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn de vader en de oom van de betrokken jongen (Y). Volgens hen heeft Y. nooit begrip voor Bin Laden of voor de aanslagen in de VS getoond. Die berichtgeving is daarom onjuist. Bovendien wordt in het eerste artikel ten onrechte gesproken over een ‘Marokkaanse leerling’. Y. heeft een Nederlands paspoort, hetgeen een voorwaarde is voor een baan in het Nederlandse leger. Zijn vader is van Marokkaanse afkomst, maar woont al 35 jaar in Nederland. Hij is 31 jaar geleden tot Nederlander genaturaliseerd en hij is gehuwd met een Nederlandse vrouw. Y. is in Leeuwarden geboren en spreekt de Marokkaanse taal niet. Hij voelt zich door de berichtgeving gediscrimineerd. Ook de formulering ‘van Marokkaanse afkomst’ is volgens klagers discutabel en zeker niet relevant.

Verweerder verwijst naar zijn brief van 17 oktober 2001 aan het Anti Discriminatie Bureau Friesland. Daarin deelt hij mee dat de vermelding van etnische bijzonderheden in het algemeen niet relevant is. In het onderhavige geval is het feit dat de vader van de jongen van Marokkaanse origine is een wezenlijk onderdeel van het nieuwsfeit. Het is evident dat er een verband bestaat tussen deze bijzonderheid en de stemming die rondom hem is ontstaan, aldus verweerder. Hij meent dat het te ver gaat om de jongen zelf als een Marokkaanse leerling aan te duiden. Dat is in de vervolgberichtgeving achterwege gelaten. Volgens verweerder is de fout, voor zover daarvan al sprake was, inmiddels hersteld.
Verder heeft verweerder in zijn brief het aanbod gedaan om door middel van een gesprek met Y. en zijn familie diens kant van het verhaal over het voetlicht te brengen. Verweerder wijst erop dat op dit aanbod noch op zijn brief een reactie is gekomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klagers stellen allereerst dat in het eerste artikel te onrechte is vermeld dat de leerling (Y.) ‘begrip voor de aanslagen in Amerika en de vermeende verdachte, Osama Bin Laden, heeft getoond’. De Raad kan echter niet nagaan of Y. zich heeft uitgelaten op de wijze zoals in het artikel is vermeld, zodat de klacht op dit punt niet kan slagen.

In het eerste artikel wordt Y. aangeduid als ‘Marokkaanse leerling’ en in de vervolgberichtgeving als zijnde ‘van Marokkaanse afkomst’. Vaststaat dat Y. de Nederlandse nationaliteit heeft, maar dat zijn vader uit Marokko afkomstig is. Wat betreft het gebruik van de hiervoor bedoelde aanduidingen geldt het volgende. In de artikelen wordt indirect, maar onmiskenbaar een relatie gelegd tussen Marokkanen, die immers in grote meerderheid islamiet zijn, en radicale islamieten als de terrorist Bin Laden. Aldus krijgen de feitelijk minder juiste, door klagers zonder goede grond als discriminerend aangemerkte, aanduidingen van Y. als ‘Marokkaanse leerling’ en als zijnde ‘van Marokkaanse afkomst’ een zodanig tendentieuze lading – een Marokkaan is islamiet, de radicale terrorist Bin Laden is islamiet en dus … - dat in dit opzicht grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad verklaart de klacht ongegrond voorzover verweerder daarin onjuiste en discriminerende berichtgeving wordt verweten en verklaart de klacht voor het overige gegrond zoals hiervoor vermeld.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 juli 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.J.M. Bueters, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. mr. V. Keur, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-25