2002/24 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Jarir en A. Jarir

tegen

B. Olmer en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 19 december 2001 met twee bijlagen heeft J. Kuitert van het Anti Discriminatie Bureau Friesland te Leeuwarden namens H. Jarir en A. Jarir (klagers) een klacht ingediend tegen B. Olmer en de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerders). Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2002 in aanwezigheid van klagers, Y. Jarir (zoon van A. Jarir) en hun gemachtigde. Verweerders zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op 25 september 2001 is in De Telegraaf een bericht van de hand van B. Olmer verschenen onder de kop ‘Marokkaanse Bin Laden-fan geschrapt van legeropleiding’. De intro van dit artikel luidt:
“Een Marokkaanse jongen (16) uit Leeuwarden is verwijderd van de vooropleiding voor een baan bij de Koninklijke Landmacht, nadat hij zich solidair had verklaard met Osama Bin Laden en begrip toonde voor de terreuraanslagen in Amerika.”
Het artikel bevat een aantal uitlatingen van de schooldirecteur van beroepsopleiding Friese Poort in Leeuwarden, van welke school de betreffende jongen een leerling was. Daarnaast bevat het artikel de volgende passage:
“De Landmacht besloot dat de jongen een baan in het leger op zijn buik kan schrijven, nadat tijdens praktijklessen in een kazerne duidelijk werd dat de Marokkaan sympathiseerde met radicale islamieten.”

Op 19 december 2001 berichtte De Telegraaf in een artikel met de kop “Defensie laat Bin Laden-fan toch weer toe” dat de leerling inmiddels weer tot de opleiding was toegelaten, na gesprekken tussen de schoolleiding, de verantwoordelijke overste van het bataljon in Assen, de familie van de jongen en een medewerker van het Anti Discriminatie Bureau.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn de vader en de oom van de betrokken jongen (Y). Volgens hen heeft Y. nooit sympathie voor Bin Laden of de aanslagen in de VS getoond. Ten onrechte wordt in het artikel gesproken over een ‘Marokkaanse jongen’. Y. heeft een Nederlands paspoort, hetgeen een voorwaarde is voor een baan in het Nederlandse leger. Zijn vader is van Marokkaanse afkomst, maar woont al 35 jaar in Nederland. Hij is 31 jaar geleden tot Nederlander genaturaliseerd en gehuwd met een Nederlandse vrouw. Y. is in Leeuwarden geboren en spreekt de Marokkaanse taal niet. Hij voelt zich door de berichtgeving gediscrimineerd. Het is klagers niet duidelijk welke bron de journalist heeft geraadpleegd. Zowel de schoolleiding, het Ministerie van Defensie als Y. ontkennen dat hun om informatie is gevraagd, aldus klagers.
Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het eerste artikel is voornamelijk gebaseerd op mededelingen van de directeur van de school, die geciteerd wordt. Het bevat beschuldigingen aan het adres van Y., te weten dat hij ‘Bin Laden-fan’ zou zijn, ‘zich solidair had verklaard met Osama Bin Laden en begrip toonde voor de terreuraanslagen in Amerika’ en ‘sympathiseerde met radicale islamieten’. In de kop van het tweede artikel wordt Y. bovendien wederom aangeduid als ‘Bin Laden-fan’. Volgens klagers zijn deze beschuldigingen ongefundeerd en onjuist.
De Raad kan niet nagaan of Y. zich heeft uitgelaten op de wijze zoals in de beide artikelen is vermeld. Dat Y. zich zo zou hebben uitgelaten, vormt echter – de betrokkenheid van Bin Laden bij de terreuraanslagen in New York en Washington in aanmerking genomen – een ernstige beschuldiging.
Naar het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde maakt zulks niet anders (vgl. onder meer: Nederlandse Vereniging tegen Kritisch Prikken tegen NOVA, RvdJ 2002/08).
Omstandigheden die een afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gebleken, zodat de slotsom moet zijn dat verweerders op dit punt grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Wat betreft het aanduiden van Y., die – naar onweersproken is – de Nederlandse nationaliteit heeft, maar wiens vader uit Marokko afkomstig is, als ‘Marokkaan’ geldt het volgende. In de artikelen wordt indirect, maar onmiskenbaar een relatie gelegd tussen Marokkanen, die immers in grote meerderheid islamiet zijn, en radicale islamieten als de terrorist Bin Laden. Aldus krijgt de feitelijk minder juiste, door klagers zonder goede grond als discriminerend aangemerkte, aanduiding van Y. als ‘Marokkaan’ een zodanig tendentieuze lading – een Marokkaan is islamiet, de radicale terrorist Bin Laden is islamiet en dus … - dat ook in dit opzicht grenzen zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad verklaart de klacht ongegrond voorzover verweerders daarin onjuiste en discriminerende berichtgeving wordt verweten en verklaart de klacht voor het overige gegrond zoals hiervoor vermeld.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 juli 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.J.M. Bueters, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. mr. V. Keur, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-24