2002/23 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

dr. K. Dittrich

tegen

J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brief van 4 december 2001 met zeven bijlagen heeft dr. K. Dittrich te Maastricht (klager) een klacht ingediend tegen J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (verweerders). Hierop hebben verweerders gereageerd in brief van 21 december 2001 met vier bijlagen. Klager heeft op het verweer geantwoord bij brief van 30 januari 2002 met een bijlage. Op de repliek van klager hebben verweerders ten slotte gereageerd in een brief van 20 februari 2002 met zes bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 maart 2002 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 16 november 2001 is op de voorpagina van NRC Handelsblad een artikel verschenen met de kop “Kandidaten Maastricht openbaar”. In dit artikel wordt over klager, als nummer één geplaatst op de voordracht voor het burgemeestersambt in Maastricht, onder meer bericht:
“Dittrich kwam medio jaren negentig in opspraak bij een reeks bouwfraudeaffaires in Limburg. Ook zat hij in 1993 enkele dagen in de cel tijdens een justitieel onderzoek naar belastingontduiking door voetbalclub MVV, waarvan hij voorzitter was.”

Diezelfde dag verscheen in NRC Handelsblad op pagina 3 een artikel van de hand van Dohmen onder de kop “Burgemeesterskandidaat Maastricht zat in de cel”. De intro van het artikel luidt:
“De nieuwe aanpak van de burgemeestersbenoeming leidt in Maastricht tot opwinding. De gemeenteraad kwam met een verdeeld advies en bouwfraude speelt ook nog een rol.”
Het artikel gaat over klager en G. Leers, beiden kandidaten voor de burgemeesterspost en bevat onder meer de volgende passage:
“Dan is er nóg een mogelijk probleem rond de benoeming van Dittrich. Hij kwam medio jaren negentig in opspraak in de bouwaffaires in Limburg. Als voorzitter van voetbalclub MVV zat hij in 1993 enkele dagen in de cel tijdens een justitieel onderzoek naar fraude en belastingontduiking door de club. Hij betaalde samen met de overige bestuursleden, de club en de directeur van MVV een schikking van 210.000 gulden om strafvervolging te voorkomen. Dittrich bleek ook adviseur van een van de bouwbedrijven die onderling in Maastricht gemeentelijke bouwopdrachten verdeelden. En in strijd met interne afspraken binnen de Universiteit Maastricht had Dittrich zijn band (als adviseur) met het bouwbedrijf niet verbroken toen het bedrijf onderhands een opdracht van één miljoen gulden kreeg van de universiteit. Pikant is dat juist bij bouwfraude de tweede kandidaat voor de post Maastricht zich afgelopen weken sterk profileerde. Kamerlid Leers voerde namens de CDA-fractie het woord, en sprak schande van de schikkingen die justitie onlangs trof in de bouwfraude rond de Schipholtunnel.”

In NRC Handelsblad van 23 november 2001 is onder de kop “Dittrich achtervolgd door Limburgs verleden” opnieuw aandacht besteed aan klagers kandidaatschap voor de burgemeesterspost in Maastricht. Het artikel, eveneens van de hand van Dohmen, bevat de volgende passage:
“Onderwijl verweert Dittrich zich tegen berichten dat hij als lid van het college van bestuur een opdracht gegeven heeft aan een bouwbedrijf waarvan hij adviseur was. Hij heeft minister De Vries (Binnenlandse Zaken) en gouverneur Van Voorst een dossier over de kwestie gestuurd. Daarin staat dat de universiteitsraad in 1993 vond dat van belangenvermenging geen sprake was. Volgens de raad was Dittrich bij de aanbesteding slechts betrokken bij de formele bekrachtiging van voorstellen. Het dossier gaat niet in op de afspraak die Dittrich met de vertrouwenscommissie van de universiteit had, dat hij zijn adviesbaan zou opgeven als het bedrijf ,,een binding” met de universiteit zou krijgen.”

De klacht is gericht tegen de artikelen van 16 november 2001.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerders op onjuiste en onzorgvuldige wijze hebben bericht over ‘bouwaffaires’ en ‘bouwfraude’ waar hij in de jaren negentig bij betrokken zou zijn geweest. Volgens klager hebben verweerders zich gebaseerd op een publicatie van Dohmen in De Limburger van 17 juli 1993, waarin klager als toenmalig lid van het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg (thans: Universiteit Maastricht) werd beschuldigd van belangenverstrengeling. Naar aanleiding van die publicatie, alsmede een publicatie van 19 juli 1993 in De Limburger, hebben de voorzitter van de Vertrouwenscommissie van de Universiteitsraad en de voorzitter van de Universiteitsraad na onderzoek bij brief van 21 juli 1993 aan de leden van de Universiteitsraad onder meer meegedeeld: “Met betrekking tot K. Dittrich hebben wij geconstateerd dat hij in de aanbestedingsprocedures niet anders betrokken was dan tijdens de formele bekrachtiging van voorstellen tijdens de vergaderingen van het College van Bestuur. De voor hem privé verrichte werkzaamheden vonden grotendeels plaats voorafgaand aan het adviseurschap en zijn gewoon door hem betaald.(…) Op basis van deze informatie zijn wij tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van belangenvermenging. Voor de volledigheid zij hier nog vermeld dat het bij de genoemde adviseurschappen gaat om nevenactiviteiten die de leden van het College van Bestuur, geheel conform de Regeling Nevenwerkzaamheden, in een veel eerder stadium aan de Vertrouwenscommissie gemeld hebben.” Klager wijst erop dat de Universiteitsraad bij besluit van 30 september 1993 heeft ingestemd met de conclusies van de voorzitter van de Universiteitsraad en de voorzitter van de Vertrouwenscommissie. Observant, het informatie- en opinieblad van de Universiteit Maastricht, heeft zowel over de uitkomsten van het onderzoek als over de besluitvorming van de Universiteitsraad bericht. Alhoewel normaliter in de Limburgse kranten - waaronder De Limburger - vaak aandacht wordt besteed aan artikelen uit Observant, heeft De Limburger niet gepubliceerd over de uitkomsten van het onderzoek en de besluitvorming van de Universiteitsraad.

Bovendien is ten onrechte vermeld dat klager in strijd met interne afspraken zou zijn aangebleven als adviseur. Klager wijst in dit verband op een publicatie in Observant van 20 december 2001 met de kop “Kranten citeerden uit niet goedgekeurde conceptnotulen bij ‘bouwaffaire’ – Dittrich schond in ’92 geen afspraken”, waarvan de intro luidt: “Er is geen bewijs dat Karl Dittrich in 1992 heeft beloofd zijn adviseurschap bij een bouwfirma te beëindigen als de universiteit opdrachten aan dat bedrijf zou geven. Wel zijn er notulen van een functioneringsgesprek waarin iets dergelijks staat, maar Dittrich heeft die nooit geaccordeerd.”
Volgens klager worden in de gewraakte berichtgeving de artikelen van 17 en 19 juli 1993 in De Limburger opgerakeld, zonder dat er enige aandacht wordt besteed aan het door de Universiteitsraad ingestelde onderzoek en de conclusies daarvan. Daarnaast hebben verweerders nagelaten klager en de universiteit een reactie te vragen. Verder stelt klager dat de artikelen grievend zijn, voorzover een relatie wordt gelegd naar ‘bouwfraude’. Het is volgens hem algemeen bekend dat bouwfraude volop in de belangstelling staat. Hij acht het tendentieus dat hij op grond van zijn adviseurschap in 1993 thans op één lijn met bouwfraude wordt gesteld, terwijl hij nooit bij bouwfraude betrokken is geweest.
Klager betoogt dat verweerders zich met onvoldoende zorgvuldigheid van hun taak – de controlerende rol, waarover verweerders spreken – hebben gekweten. De in de berichtgeving gewekte associatie van klager met bouwfraude is niet onderbouwd. Deze associatie was bovendien voor de lezers in Limburg en daarbuiten een novum, zodat verweerders klager vooraf om een reactie hadden moeten vragen, aldus klager. Uit een en ander volgt dat sprake is van grievende, tendentieuze en onjuiste berichtgeving waarbij ten onrechte het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast.

Verweerders stellen voorop dat in de berichtgeving twee burgemeesterskandidaten worden getypeerd en dat in de aanhef van het op pagina 3 gepubliceerde artikel in het algemeen wordt gerefereerd aan het in die week actuele thema bouwfraude. In de achtergrond van beide kandidaten bestonden voor die verwijzing aanknopingspunten, die in dat artikel nader worden uitgewerkt. Volgens verweerders was de aandacht voor de benoemingsprocedure, in vergelijking met andere media, proportioneel.
Zij stellen verder dat aan de kwestie uit 1993, rond klagers mogelijke belangenverstrengeling, in de gewraakte artikelen geen aandacht is besteed. Voor de beoordeling van die publicaties is van belang dat de universiteitsraad in 1993 één verwijt overeind liet, te weten dat klager in strijd met afspraken met de vertrouwenscommissie zijn adviseurschap niet had opgezegd vóórdat het bouwbedrijf de opdracht kreeg. Van dit feit is wel melding gemaakt. Het is duidelijk dat de afspraak over het beëindigen van klagers adviseurschap is gemaakt. Verweerders wijzen in dit verband op notulen die zijn opgesteld van een gesprek dat klager in 1992 had met de vertrouwenscommissie, waaruit De Limburger in een publicatie van 1993 als volgt heeft geciteerd: “Wat deze laatste functie betreft (het adviseurschap van het bouwbedrijf) deelt hij (klager) mede dat hij deze terstond zal opgeven op het moment dat er een binding tussen dit bedrijf en de RL (Rijksuniversiteit Limburg) ontstaat.”. Het verwijt is door de universiteitsraad na de publicaties in De Limburger in 1993 niet tegengesproken.
Verweerders wijzen erop dat de artikelen mede zijn gebaseerd op het in 1996 gepubliceerde boek van Dohmen “De Vriendenrepubliek – Limburgse kringen”, dat een overzicht bevat van alle bouw- en andere affaires uit Limburg. Hoofdstuk 10 “Voor wat hoort wat” geeft een beeld van de verwevenheid tussen bestuur en bouwwereld in Maastricht tot medio jaren negentig. Klager maakte daarvan deel uit. Het is dus niet onjuist om te schrijven dat ook klager medio jaren negentig ‘in opspraak raakte bij’ (en niet ‘met’) een reeks bouwaffaires en bouwfraudes in Limburg, aldus verweerders. Zij sluiten niet uit dat schade het gevolg kan zijn van de publicaties, maar menen dat de verantwoordelijkheid voor de oorzaak ervan niet eenzijdig bij hen kan worden gelegd.
Dat verweerders geen aandacht hebben willen besteden aan de voor klager gunstige uitslag van het onderzoek van de universiteitsraad, is onjuist. Dit blijkt onder meer uit de eerstvolgende publicatie in NRC Handelsblad van 23 november 2001.
Volgens verweerders hebben zij dus niet ‘de hele affaire’ opnieuw ‘opgerakeld’, maar slechts een deel ervan. Klager blijkt tegen de afspraak in adviseur te zijn gebleven bij een aannemer, die met concurrenten onderling in de stad bouwopdrachten verdeelde. Dit is een relevante omstandigheid die vermeld mag worden. De pers heeft binnen de democratische rechtsstaat een bijzondere, controlerende rol in relatie tot het functioneren van politici en uitoefenen van macht. Kwesties rondom integriteit uit het verleden zijn opportuun en relevant in geval van een aanstaande benoeming van een kandidaat-burgemeester. Daarbij komt dat de voordracht van klager kwam op een moment van grote maatschappelijk aandacht en zorg rondom bouwfraudes. Bovendien was de heer Leers, de tweede burgemeesterskandidaat, in de publiciteit als woordvoerder van de Tweede Kamer fractie voor het CDA op gebied van bouwfraude. Dit gaf extra reliëf aan de keuze van de sterk verdeelde gemeenteraad voor klager als eerste kandidaat. Het valt binnen de journalistieke normen om de lezer hierop te wijzen.
Wat betreft het toepassen van hoor en wederhoor stellen verweerders dat klager voor publicatie van voornoemd boek van Dohmen is uitgenodigd te reageren op alle feiten. Naar aanleiding van klagers reactie is de definitieve tekst van het boek aangepast. Bovendien heeft klager voorafgaand aan de publicaties in De Limburger in 1993 gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid tot wederhoor. Aangezien de publicaties van 16 november 2001 geen nieuwe feiten bevatten, behoefden de al in 1993 en 1996 gepubliceerde feiten - waar al commentaar op gevraagd en gegeven was - niet opnieuw aan klager en/of de universiteit te worden voorgelegd. Overigens heeft klager in 1993 en 1996 geen actie ondernomen tegen de gepubliceerde feiten. Het verzoek tot inzage van het ‘dossier’ over klagers adviseurschap heeft de universiteit afgewezen. Klager heeft op dit verzoek niet gereageerd. Bovendien heeft hij naar aanleiding van de artikelen van 16 november 2001 geen contact gezocht met de redactie en geen weerwoord of rechtzetting verzocht.
Verweerders concluderen dat zij niet onjuist en niet onvolledig hebben bericht. De lezer is volledig geïnformeerd over relevante omstandigheden die betrekking hebben op het openbare leven van de beoogde kandidaat voor de burgemeestersbenoeming. De aandacht voor de achtergrond van klager in de gewraakte berichtgeving was in proportie. Met de vermelding van het adviseurschap van klager bij het bouwbedrijf is klager niet ‘op één lijn gesteld met bouwfraude’. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is volgens verweerders geen sprake.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht kan worden onderverdeeld als volgt:
a. Er is sprake van onjuiste berichtgeving.
b. De feiten zijn zodanig weergegeven, dat daardoor sprake is van onzorgvuldige berichtgeving.
c. Verweerders hebben ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen.
Over onderdeel a. overweegt de Raad het volgende. Klager stelt dat de bewering dat hij ‘medio jaren negentig in opspraak kwam bij/in bouwfraudeaffaires in Limburg’ onjuist is. Vaststaat dat de Rijksuniversiteit Limburg destijds onderzoek heeft verricht naar vermeende belangenvermenging in verband met klagers functie als lid van het College van Bestuur enerzijds en zijn mogelijke betrokkenheid bij aanbestedingsprocedures anderzijds. Aldus moet worden geconstateerd dat over klager in relatie tot bouwfraudeaffaires afkeurend is gesproken en dat hij derhalve ‘in opspraak is geraakt’. Klagers standpunt dat hij door verweerders op één lijn is gezet met bouwfraudes, deelt de Raad niet.
Verder stelt klager dat ten onrechte is beweerd dat hij ‘in strijd met interne afspraken binnen de Universiteit Maastricht zijn band als adviseur met het bouwbedrijf niet heeft verbroken toen het bedrijf onderhands een opdracht van één miljoen gulden kreeg van de universiteit’. Klager heeft het bestaan van de notulen - waarop verweerders zich ter zake hebben gebaseerd – erkend. Bovendien heeft klager niet aangetoond c.q. onvoldoende gemotiveerd betwist dat hetgeen in de notulen is vermeld, en reeds in 1993 in De Limburger is gepubliceerd, onjuist is.
Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en gezien de door hen overgelegde stukken, is de Raad dan ook van oordeel dat voor het vermelden van voornoemde beweringen voldoende feitelijke grondslag bestaat en dat klager er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat deze beweringen feitelijk onjuist zijn.

Wat betreft onderdeel b. stelt de Raad voorop dat iemand die kandidaat is gesteld voor een openbare functie, daardoor een ‘publieke figuur’ is geworden. Hoewel mogelijk pijnlijk voor de betrokken kandidaat, dient hij zich daardoor een zekere mate van aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer te laten welgevallen. Een onderzoek naar de antecedenten van iemand die zich voor een burgemeesterspost beschikbaar heeft gesteld, is journalistiek gebruikelijk en maatschappelijk relevant, en valt – bijzondere omstandigheden daargelaten - onder de hiervoor bedoelde te aanvaarden aantasting van de privacy. (vgl. Van Corstanje/Zembla e.a., RvdJ 2002/07). In een portret, zoals hier geschetst, behoeft de journalist niet geheel neutraal te zijn. Hij heeft echter een eigen verantwoordelijkheid die meebrengt dat hij de door hem verkregen gegevens weegt en toetst, teneinde ervoor zorg te dragen dat een beeld wordt geschetst dat recht doet aan de werkelijkheid. Als dat beeld in aanzienlijke mate negatief is, zoals in dit geval, bestaat aanleiding voor bijzondere zorgvuldigheid. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerders die zorgvuldigheid niet in acht hebben genomen. Hoewel zij met name voor klager ongunstige feiten hebben vermeld kan niet worden gezegd dat bepaalde feiten ten gunste van klager bewust zijn weggelaten. (vgl. Schnetz/Haighton en Carp*, RvdJ 2002/03 en Scholten/NRC, RvdJ 2000/25).

Ter zake van het toepassen van wederhoor (onderdeel c. van de klacht) overweegt de Raad dat als een journalist ten behoeve van een artikel put uit een eerder verschenen artikel waarover niet is geklaagd, dat hem in het algemeen niet ontslaat van de plicht tot het toepassen van wederhoor (vgl. Buck/Parool, RvdJ 2001/12). Vaststaat dat verweerders voorafgaand aan de gewraakte berichtgeving klager geen gelegenheid tot wederhoor hebben geboden. De vraag is derhalve of verweerders daarmee jegens klager onzorgvuldig hebben gehandeld. Bij beantwoording van die vraag dient mede in aanmerking te worden genomen dat Dohmen voornamelijk uit zijn eigen oude onderzoekswerk heeft geput, bij de totstandkoming waarvan hij destijds wel wederhoor heeft toegepast. Mede gezien deze omstandigheid en het feit dat door verweerder geen nieuwe gegevens zijn vermeld is het aannemelijk dat een weerwoord van klager geen nieuw licht op de kwestie zou hebben gebracht. Voor de volledigheid van de berichtgeving zou het beter zijn geweest dat niet pas op 23 november 2001 maar reeds in de berichtgeving van 16 november 2001 tot uitdrukking zou zijn gebracht, dat klager zich verweert tegen berichten dat hij als lid van het college van bestuur een opdracht gegeven heeft aan een bouwbedrijf waarvan hij adviseur was. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, en gelet op hetgeen de Raad hiervoor bij de onderdelen a. en b. van de klacht heeft overwogen, is de Raad echter van oordeel dat verweerders op dit punt evenmin grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 juli 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-23