2002/21 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

H.J. Korterink en de hoofdredacteur van Nieuwe Revu

Bij brief van 30 november 2001 met een bijlage heeft mr. R. Lonterman, advocaat te Amsterdam, namens X (klager) een klacht ingediend tegen H.J. Korterink en de hoofdredacteur van Nieuwe Revu (verweerders). Hierop heeft mr. H.J.M. Boukema, advocaat te Den Haag, namens verweerders gereageerd met een verweerschrift van 20 december 2001. Vervolgens heeft mr. Lonterman met een brief van 3 januari 2002 op het verweerschrift gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 maart 2002 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In de week van 21 november 2001 verscheen in Nieuwe Revu (nr. 48) een artikel van de hand van Korterink onder de kop "5 jaar cel voor 42 messteken in je eigen kind van 5". De intro van het artikel luidt:
"Wraak of godsdienstwaanzin? Op 23 november dient het hoger beroep in de zaak S., het Amsterdamse jongetje dat door zijn eigen vader werd afgeslacht. Wraak om na de echtscheiding de moeder op haar gevoeligste plek te raken? Of wilde X niet dat zijn kind bij zijn Nederlandse moeder als niet-moslim zou opgroeien, zoals hij in een vertrouwelijk telefoongesprek vertelde? Een reconstructie van de gruwelijke gebeurtenis op 15 april 2000."
Het artikel gaat in op de achtergronden van de strafzaak tegen klager, die verdacht wordt van moord op zijn zoontje. De volledige naam van klager wordt erin vermeld. Ook de voornaam van het kind en de naam van de moeder worden vermeld. Korterink heeft voorafgaand aan publicatie contact gehad met de advocaat van klager. Er is toen niet gesproken over de inhoud van het artikel. De tekst is niet vooraf ter inzage gegeven aan klager of zijn advocaat.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat vermelding van zijn naam in strijd is met de journalistieke zorgvuldigheid. Zijn persoonlijke levenssfeer wordt daarmee onevenredig zwaar belast, waardoor de latere kansen op een terugkeer in de samenleving worden verkleind. Verweerders hadden kunnen volstaan met vermelding van initialen. Van alle media die aan de zaak aandacht hebben besteed, is volgens klager Nieuwe Revu de enige die zijn volledige naam heeft vermeld. Klager is van mening dat in dit geval geen sprake is van een uitzondering die afwijking van de journalistieke regel, dat slechts initialen worden vermeld, rechtvaardigt. Anonimisering had geen afbreuk gedaan aan de nieuwswaarde van het artikel, aldus klager.

Verweerders zijn van mening dat de identiteit van klager een feit van algemene bekendheid is geworden. Bovendien is ook door de vermelding van de naam van het slachtoffer, klagers zoontje, waar de moeder geen bezwaar tegen had, de identiteit van klager geen geheim meer. Verweerders verwijzen naar een artikel in De Telegraaf van 19 april 2000 waarin de naam van klager is vermeld en naar een website van het slachtoffer met dezelfde achternaam, waar via een zoekmachine naar de vader als verdachte van de moord wordt verwezen.
Voorts stellen verweerders dat de traditionele terughoudendheid van Nederlandse media aangaande het noemen van namen de laatste jaren is veranderd. In dit verband verwijzen zij naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die tot meer openheid zou nopen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad hanteert als vaste lijn in zijn uitspraken dat ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten en veroordeelden terughoudendheid in de berichtgeving is geboden. Een journalist dient dan ook in beginsel te voorkomen dat een verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken (zie onder meer: Van Gelder tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf, RvdJ 2001/04 en Van 't Hof tegen de hoofdredacteur van de Goudsche Courant, RvdJ 2000/26). Er is vooralsnog geen enkele aanleiding om deze lijn te verlaten.
In het onderhavige geval is bovendien niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het door de Raad gehanteerde beginsel zouden toelaten. Dat de naam van klager een feit van algemene bekendheid was, is niet komen vast te staan. Anders dan verweerders stellen, leidt vermelding van de naam van het slachtoffer, klagers zoontje, niet automatisch tot identificatie van klager. Verweerders hadden het artikel, in ieder geval voorzover het de aanduiding van klager betreft, kunnen anonimiseren zonder enige afbreuk te doen aan de nieuwswaarde ervan. Door dit na te laten hebben zij grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Naar aanleiding van de verwijzing van verweerders naar rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens merkt de Raad - wellicht ten overvloede - op dat deze betrekking heeft op de rechtmatigheid naar burgerlijk recht van een journalistieke gedraging. Het oordeel van de Raad daarentegen ziet op de vraag of grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juni 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-21