2002/20 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

G.H. Janssen (Vrij Nederland) 

Bij brief van 14 november 2001 met drie bijlagen heeft X (klage­r) een klacht inge­diend tegen G.H. Janssen (verweerder). Hierop heeft verweerder gereageerd in een brief van 11 december 2001 met vier bijlagen. Klager heeft daarop geantwoord bij brief van 24 december 2001 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 februari 2001 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.

Klager heeft desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behande­ling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 23 september 2000 is in Vrij Nederland een artikel van de hand van verweerder verschenen onder de kop “1600 door Geert H. Janssen – Schieten, roepen, trommelen”. De intro van het artikel luidt:
Een eclatante overwinning waarbij het nodige bloed werd vergoten, maar die ook een totale mislukking bleek: de slag bij Nieuwpoort. Drie uitgevers grepen de gelegenheid aan om deze roemrijke veldslag onder de aandacht te brengen. Geert Janssen las en vergeleek.
Een van de door verweerder besproken boeken is dat van klager “[…titel…]”. Verweerder schrijft hierover onder meer:
Het gelegenheidswerk […titel…] van [X] kan iedereen daarentegen beter links laten liggen. Het boek wemelt van de feitelijke onjuistheden en getuigt bovendien van een totaal gebrek aan inzicht in de zeventiende-eeuwse politieke verhoudingen.

Op 7 oktober 2000 is in de rubriek ‘Vrije Tribune’ van Vrij Nederland een ingezonden brief van de uitgever van klagers boek geplaatst, die luidt:
In VN (23-9-2000) stond de recensie van Geert H. Janssen waarin ook het boek van [X] behandeld werd. Het is lang geleden dat ik zo’n ongenuanceerde recensie heb gezien. Het is duidelijk dat Janssen überhaupt de hele Nieuwpoort-herdenking maar ‘gezeur’ vindt en het ‘vervelende Oldenbarnevelt-dossier’ met plezier heeft overgeslagen. Wat overbleef, waren zijn uitspraken dat het boek van [X] wemelde van de ‘feitelijke onjuistheden’ en dat de auteur een ‘totaal gebrek aan inzicht heeft in de politieke verhoudingen’. Geen malse uitspraken en dan te bedenken dat de recensent niet één voorbeeld aanhaalt. Hierover heb ik ook niets teruggelezen in andere recensies. Het lijkt mij dat een dergelijke luchthartige afbraakpolitiek niet thuishoort in een kwaliteitsblad als VN.

Hieronder is het volgende naschrift van verweerder opgenomen:
Een bespreking van drie boeken op één pagina legt de schrijver beperkingen op. Hierbij alsnog een van de ‘feitelijke onjuistheden’. Op pagina 30 beweert [X] dat in 1588 een ‘onafhankelijke en confederale Republiek’ werd ‘uitgeroepen’. Een dergelijke proclamatie heeft nooit plaatsgehad. Ook werd in dat jaar geen ‘rebellenstaat gesticht’. Deze bewering is bovendien anachronistisch en getuigt van onbegrip in de zestiende-eeuwse staatkundige verhoudingen.

Voorts hebben partijen naar aanleiding van de recensie van 23 september 2000 uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij in oktober 2000 diverse brieven aan verweerder heeft gestuurd, waarin hij zijn bezwaren tegen de recensie kenbaar heeft gemaakt. Toen hij daarop naar zijn oordeel geen bevredigend antwoord van verweerder ontving en van Vrij Nederland niet de gelegenheid kreeg om een en ander tegenover de lezers recht te zetten, heeft hij de zaak als afgedaan beschouwd. Dat klager zich nu tot de Raad wendt, is gelegen in het feit dat omstreeks augustus 2001 een boek van de hand van verweerder is verschenen, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan de Slag bij Nieuwpoort. In dat boek geeft verweerder een beschrijving van de politieke en militaire rol van Maurits en van de Slag bij Nieuwpoort die volgens klager niet afwijkt van de wijze waarop hij die onderwerpen heeft beschreven. Klager heeft deze bevindingen aan de redactie van Vrij Nederland voorgelegd en meegedeeld dat naar zijn mening nu aan de lezers van Vrij Nederland moet worden duidelijk gemaakt dat verweerder in zijn recensie van 23 september 2000 een verkeerd beeld van klagers boek heeft gegeven. Toen hierop niet werd gereageerd, heeft klager de kwestie ter beoordeling aan de Raad voorgelegd.  
Volgens klager zijn voor het beoordelen van een historisch werk op concrete feiten gebaseerde argumenten vereist. Daaraan ontbreekt het in de gewraakte recensie ten ene male, aldus klager. Hij meent dat de kritiek blijft steken in vage algemeenheden en ongenuanceerde, in uiterst scherpe bewoordingen vastgelegde constateringen, zoals ‘het boek wemelt van de feitelijke onjuistheden’. Klager betoogt dat zijn boek ten onrechte, zonder nadere onderbouwing door verweerder is afgekraakt.

Verweerder stelt dat zijn artikel van 23 september 2000 een bredere opzet kende dan alleen de bespreking van klagers boek, waardoor hij zijn oordeel daarover in enkele zinnen moest samenvatten. Het leek hem daarom billijk om zijn beoordeling aan klager nader toe te lichten, hetgeen hij heeft gedaan bij brief van 10 oktober 2000. Verweerder is van oordeel dat hij met die toelichting de zaak destijds correct heeft afgehandeld. Hij stelt in dat verband dat klager hem vervolgens in een brief van 13 oktober 2000 op enkele punten gelijk heeft gegeven, waar het zijn kritiek op klagers boek betrof.
Verder betoogt verweerder dat hem voor de bespreking van literatuur als recensent een grote mate van vrijheid toekomt. Hij heeft als historicus klagers studie op de wetenschappelijke merites beoordeeld. Verweerder betreurt dat klager zich door de recensie gekwetst voelt, maar blijft overtuigd van de juistheid van zijn kritiek. Volgens hem verschilt zijn zienswijze op de door klager aangehaalde historische kwesties wezenlijk van die van klager. Over dergelijke zienswijzen valt te twisten, hetgeen onder historici ook niet ongebruikelijk is. Het is niet aan de Raad in die kwesties te oordelen. De vraag naar het verband tussen historische feiten is een wetenschappelijke vraag en de Raad kan die vraag niet beantwoorden, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan een recensent een grote mate van vrijheid toe, niet alleen wat betreft de vorm van de recensie, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Bij het geven van zijn oordeel over het werk waarop de recensie betrekking heeft, behoeft de recensent zich in het algemeen niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker van het besproken werk. Voor het oordeel dat dat in dit geval anders is, bestaat geen grond. (vgl. onder meer: Bosman tegen Dros en Trouw, RvdJ 2002/01)
Het negatieve commentaar van verweerder is voor klager mogelijk pijnlijk geweest. Dit levert echter op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat verweerder in strijd met enige journalistieke norm heeft gehandeld. De recensie bevatte niet meer dan een persoonlijk oordeel van verweerder, hetgeen ook duidelijk aan de lezer kenbaar is gemaakt, en het stond hem vrij zijn mening te uiten, zoals hij dat heeft gedaan. Het zou verweerder niet hebben misstaan als hij zijn stelling dat klagers boek  “wemelt van de feitelijke onjuistheden”, als zij juist was, in de recensie zou hebben toegelicht met een of meer voorbeelden. Dat hij dit heeft nagelaten, leidt echter niet tot de conclusie dat hij grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Bij dit oordeel neemt de Raad mede in aanmerking dat de ingezonden brief van klagers uitgever – die, naar klager ter zitting heeft verklaard, in overleg met klager is opgesteld - is gepubliceerd, daaronder een naschrift van verweerder is opgenomen, en klager heeft verklaard dat ook hij de zaak destijds als afgedaan heeft beschouwd.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.  

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 mei 2002 door mr. R.W.L. Loeb, voorzit­ter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. G.H.M.J. Bueters en mw. F.W. Dresselhuys, leden, in tegen­woor­dig­heid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.