2002/2 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

prof. dr. B.C.M. Raes

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

Bij brief van 24 augustus 2001 met negen bijlagen heeft prof. dr. B.C.M. Raes te Utrecht (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Trouw (verweerder). Hierop heeft J. de Berg, hoofdredacteur, geantwoord bij brief van 31 augustus 2001 met een bijlage. Klager is daarop ingegaan in een schrijven van 3 september 2001. Ten slotte heeft verweerder nog gereageerd in een brief van 5 oktober 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2001 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 3 juli 2001 is op de voorpagina van Trouw een artikel verschenen onder de kop "Onbehandelde tbs'ers op straat, Uit angst voor ordeverstoringen weigerden klinieken opname moordenaars en verkrachters". De intro van het artikel luidt:
"Het ministerie van justitie heeft sinds 1991 tientallen tbs'ers onbehandeld op straat gezet. De ter beschikking gestelden, veroordeeld voor moord en verkrachting, werden geplaatst in daklozentehuizen en huurwoningen. Dat zegt de vroegere tbs-adviseur van het ministerie, prof. D. Raes."
Verder bevat het artikel de volgende passage:
"Hij (Raes) adviseerde het departement van 1991 tot 1999 over patiënten die in klinieken de orde dreigden te verstoren. In overleg met het departement werden zij op straat gezet. De reclassering hield een oogje in het zeil. In oktober 1999 stak de tot tbs veroordeelde Dirk de V. met vijftig messteken de Groninger Tjirk van Wijk dood.(...) De V. werd, na verschillende mislukte pogingen van het F.S. Meijersinstituut om hem in een kliniek te plaatsen, in een rijtjeshuis in Assen ondergebracht. Vier maanden na zijn vrijlating begin hij de moord. Raes: ,,De methode om tbs-gestelden niet binnen maar buiten de klinieken te plaatsen is al die jaren dat ik directeur was met succes toegepast. Tegenwoordig doen wij dat niet meer, omdat dergelijke patiënten worden geplaatst op de longstay-afdeling. Het behandelaspect binnen een dergelijke afdeling is miniem en beperkt zich tot het handhaven van de veiligheid."
Aan het slot verwijst het artikel naar een achtergrondartikel, dat op diezelfde dag in de rubriek De Verdieping van Trouw verscheen onder de kop "Veiligheid voor alles". In dit artikel worden aan de hand van het geval van Dirk de V. de tbs-maatregel en de behandeling van psychopaten besproken.

Voorafgaand aan de publicaties is klager, vroeger als directeur verbonden aan het F.S. Meijersinstituut, geïnterviewd door een redacteur van Trouw. Klager heeft de tekst van het vervolgartikel voor publicatie ingezien en, na het aanbrengen van enkele wijzingen, geaccordeerd.
Bij brief van 4 juli 2001 heeft klager zijn bezwaren tegen het voorpagina-artikel kenbaar gemaakt aan verweerder en rectificatie verzocht. Hierop verzoekt verweerder in een e-mailbericht van 6 juli 2001 aan klager zijn bezwaren te specificeren alvorens hij een besluit neemt omtrent het verzoek tot rectificatie. Klager antwoordt in een brief van 15 juli 2001, waarna verweerder bij e-mailbericht van 18 juli 2001 onder meer aan klager meedeelt:
"Het was, strikt genomen, inderdaad een verzuim dat alleen de in de Verdieping gepubliceerde tekst vooraf, met het oog op de correctie van feitelijke onjuistheden, aan u is voorgelegd. Krachtens de afspraak die gemaakt was, had dit ook met de voorpaginatekst moeten gebeuren, omdat daar een citaat in voorkomt dat niet in de Verdieping te vinden is.(...) Samenvattend heb ik de indruk dat de zaak weliswaar niet geheel vlekkeloos is verlopen, maar dat er evenmin grond is voor de zware kritiek waarmee u uw e-mail van 15 juli besloot."
Klager herhaalt daarop bij e-mailbericht van 19 juli 2001 zijn verzoek tot rectificatie, welk verzoek verweerder niet heeft gehonoreerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de tekst van het voorpagina-artikel ten onrechte niet vooraf ter inzage aan hem is voorgelegd en dat in het artikel uitspraken aan hem zijn toegeschreven die hij nooit heeft gedaan.
Hij heeft nooit gezegd dat 'het ministerie van justitie sinds 1991 tientallen tbs'ers onbehandeld op straat heeft gezet' noch dat 'de ter beschikking gestelden, veroordeeld voor moord en verkrachting, werden geplaatst in daklozentehuizen en huurwoningen' zoals het artikel suggereert. De term 'op straat zetten' komt niet overeen met de feitelijke gang van zaken inhoudende dat gedetineerden proefverlof met daaraan verbonden voorwaarden kregen, dat wil zeggen dat zij in een instelling met een lagere beveiligingsgraad werden geplaatst en daarbij werden begeleid.
Verder maakt hij bezwaar tegen het gebruik van het woord 'dergelijke' in de passage "De methode om tbs-gestelden niet binnen maar buiten de klinieken te plaatsen is al die jaren dat ik directeur was met succes toegepast. Tegenwoordig doen wij dat niet meer, omdat dergelijke patiënten worden geplaatst op de longstay-afdeling." Aldus wordt ten onrechte een verband gelegd met de zaak van Dirk de V. en met gedetineerden die voor moord of verkrachting waren veroordeeld. Het eerder bedoelde proefverlof werd niet aan die categorie gedetineerden verstrekt in de tijd dat klager directeur was van het F.S. Meijersinstituut.
Klager stelt dat het artikel reeds op de dag van de publicatie leidde tot kamervragen aan de minister van justitie, waarbij hij wijst op de volgende passage uit het verslag van het mondelinge vragenuur:
"Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het lijkt erop dat we nu twee keer binnen één week een rare tegenspraak hebben. Professor Raes heeft het betreffende artikel (de publicaties in Trouw) voor publicatie twee keer geautoriseerd. Het kan zijn dat hij een moment van ontoerekeningsvatbaarheid heeft gehad, maar een herhaling daarvan lijkt me onwaarschijnlijk. Wat is er hier aan de hand? Hoe kan het dat een professor bij vol bewustzijn dit soort opmerkingen laat plaatsen in een krant en daarbij letterlijk spreekt van betrokkenheid van het ministerie, terwijl de minister zegt dat dit niet waar is? Dit is een beetje wonderlijk."
Een en ander is uitermate schadelijk voor zijn integriteit als forensisch psychiatrisch deskundige, aldus klager.

Verweerder verwijst naar zijn correspondentie met klager. Daarin stelt hij dat in het voorpagina-artikel één letterlijk citaat van klager is opgenomen en dat dit citaat overeenkomt met de tekst van het achtergrondartikel, die door klager is geaccordeerd. Verder meent verweerder dat de koppen en onderkoppen de kern van het artikel behelzen en dat de intro van het artikel een verdedigbare samenvatting bevat van een deel van hetgeen klager in het interview heeft meegedeeld. Dat klager het niet zo gezegd heeft, was een reden om de beginzinnen niet tussen aanhalingstekens te plaatsen.
Verder is verweerder het met klager eens dat de uitdrukking 'op straat zetten' op zichzelf misverstand kon wekken. Dit misverstand is weggenomen in de daarop volgende zin, waaruit blijkt dat met die uitdrukking plaatsing in daklozentehuizen en huurwoningen is bedoeld.
Verweerder concludeert dat alhoewel de tekst van het voorpagina-artikel ook vooraf aan klager voorgelegd had moeten worden, de totstandkoming van het voorpagina-artikel niet onzorgvuldig is geweest. Er bestond geen reden het voorpagina-artikel te rectificeren, omdat bij de lezers niet de indruk is gewekt dat het voorpagina-artikel door klager is geautoriseerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ter zitting heeft klager meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het achtergrondartikel. De klacht richt zich derhalve enkel tegen het voorpagina-artikel, de zogeheten 'Ankeiler' van het achtergrondartikel. Partijen zijn het erover eens dat is afgesproken dat aan klager vóór publicatie de concepttekst ter correctie van mogelijke onjuistheden zou worden voorgelegd, en dat deze afspraak ten aanzien van de Ankeiler niet is nagekomen.

Zoals hiervoor vermeld, stelt verweerder zich in dit verband op het standpunt dat klager in de Ankeiler maar één keer wordt geciteerd, en dat met de publicatie van dat citaat - ondanks het niet-nakomen van de afspraak tot inzage vooraf - geen journalistieke grenzen zijn overschreden omdat hetgeen klager hier in de mond wordt gelegd voldoende steun vindt in het wel door hem geaccordeerde achtergrondartikel. Volgens verweerder gaat het voor het overige, bij de passages waarop de klacht zich richt, niet om citaten maar om verdedigbare samenvattingen van hetgeen klager aan de interviewster heeft meegedeeld.

Deze standpunten van verweerder worden verworpen. Ook de intro van de Ankeiler moet, nu deze eindigt met de woorden ""Dat zegt de vroegere tbs-adviseur van het ministerie, prof. D. Raes.", worden aangemerkt als een citaat. Dat die intro bewust niet tussen aanhalingstekens is geplaatst kan daarin geen verandering brengen: het gaat hier zonder meer om uitlatingen die door de journalist aan de lezer worden gepresenteerd als door klager gedaan. Verweerder heeft toegegeven dat klager niet heeft gesproken over het onbehandeld op straat zetten van voor moord en verkrachting veroordeelde tbs'ers. Door desondanks de indruk te wekken dat een vroegere tbs-adviseur van het ministerie van justitie - dat wil zeggen iemand aan wiens woorden op dit gebied een bepaald gezag zal worden toegekend - zich wel in deze zin over een zeer beladen maatschappelijk probleem heeft uitgelaten, heeft verweerder ten opzichte van klager de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. In het door klager geaccordeerde achtergrondartikel kan voor deze handelwijze, die bovendien een schending van de afspraak tot inzage vooraf oplevert, geen rechtvaardiging worden gevonden.

Genoemde grenzen zijn ook overschreden voor zover het gaat om het wel tussen aanhalingstekens geplaatste citaat in de Ankeiler. Ook hier is genoemde afspraak geschonden, terwijl voorts - door de context waarin het citaat geplaatst is - ten onrechte de indruk wordt gewekt dat klager zou hebben gezegd dat ernstige tbs-gevallen als Dirk de V. ("dergelijke patiënten) in de periode dat klager directeur van het F.S. Meijersinstituut buiten een tbs-kliniek werden geplaatst, terwijl klager in de geaccordeerde tekst spreekt over "sommige patiënten.
(vgl. Nederlandse Vereniging voor Dierentuinen tegen Huisjes, RvdJ 2000/53)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 januari 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur, mw. C.D. Smolders, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-2