2002/17 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.J.C. van der Velden

tegen

de hoofdredacteur van Cursor

Bij brief van 24 oktober 2001 met vijf bijlagen heeft M.J.C. van der Velden te Roosendaal (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur F. Gaasendam van Cursor, het universiteitsblad van de technische universiteit Eindhoven (verweerder). Hierop heeft verweerder gereageerd in een brief van 6 december 2001. Klager heeft daarop geantwoord in een brief van 26 december 2001.

De zaak is ter zitting van de Raad van 14 februari 2002 behandeld buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 27 september 2001 is in Cursor een column van D. Gilissen verschenen. Klager, die ook columnist van Cursor is, heeft op 4 oktober 2001 in zijn column met de kop "Effe zeuren" daarover geschreven:
"Iemand die goed op de hoogte is van de grote problemen van deze universiteit, moet bijvoorbeeld zijn ruimte in Cursor niet gebruiken om te schrijven over een vriend die maar geen vriendin kan krijgen, zoals dat in de vorige Cursor gebeurde."
Vervolgens zond weer een andere columnist, J. Keij, een open brief aan klager, die in Cursor van 18 oktober 2001 is geplaatst. In deze brief, met als aanhef "Beste collega amateur-columnist Michiel van der Velden", heeft Keij uiteengezet wat hij onder een goede column verstaat. Hij schrijft onder meer:
"Wat echter in geen enkele handleiding staat beschreven, is het afzeiken van collega-columnisten. (...)"
en
"Een vertegenwoordiger (m/v) hoort midden in de groep te staan die hij/zij vertegenwoordigt, niet vanaf een roze dan wel grijze wolk, vanuit de Skybar naar beneden moeten kijken op het klootjesvolk. Zonder Dimitri Gilissen te kennen, ben ik blij dat in ieder geval één lid van de U-raad nog kan schrijven over liefde, emotie en smaak."
Naar aanleiding van de open brief van Keij heeft klager een kort briefje ter publicatie aan Cursor gezonden. In deze brief excuseert hij zich tegenover de lezer dat hij met zijn column iemand heeft uitgelokt tot het schrijven van onzin en onjuistheden. De eindredacteur van Cursor heeft klager in een e-mailbericht van 22 oktober 2001 laten weten dat zijn brief niet zou worden geplaatst, met als motivering: "We hebben geen trek in een "welles-nietes spelletje of polemiek hierover. Jij hebt je zegje kunnen doen en dat heeft een reactie teweeggebracht. Daar willen we het graag bij laten."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt zich op het standpunt dat de ingezonden brief van Keij persoonlijke beledigingen aan zijn adres bevat. Hij vindt onjuist dat zijn ingezonden brief niet geplaatst is. Hij vindt niet dat hij, zoals Cursor stelt, reeds zijn 'zegje' heeft kunnen doen. De zinnen die hij in zijn column aan de andere columns in Cursor heeft gewijd, kunnen niet worden gezien als zijn 'zegje' met betrekking tot de aan hem persoonlijk gerichte aantijgingen van Keij, aldus klager. Voor zijn reactie heeft hij bewust gekozen voor een zeer kort briefje, juist om de lezer niet onnodig te vervelen met een 'welles-nietes-spelletje'.

Verweerder wijst erop dat de redactie het uitgangspunt hanteert dat op een stelling een weerwoord kan worden gegeven, waarna de discussie wordt gesloten, tenzij er een goede inhoudelijke voortzetting is van de discussie. In deze kwestie was volgens de redactie nauwelijks sprake van een ordentelijke discussie of interessante polemiek. De redactie heeft, toen een van de columnisten reageerde op de column van klager, deze de mogelijkheid gegeven zich te verweren. Er waren diverse inhoudelijke punten, waar klager op interessante wijze op had kunnen reageren. Het briefje dat hij gestuurd heeft, vormde echter geen zinnige bijdrage aan een discussie, zodat de redactie er niet voor voelde dit te plaatsen. Verweerder leest in de brief van Keij overigens geen persoonlijke beledigingen aan het adres van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De redactie heeft in beginsel de vrijheid een reactie van een lezer op een artikel of ingezonden brief niet te plaatsen (vgl. onder meer Bosman/Dros en Trouw, RvdJ 2002/01 en Gremmen/De Telegraaf, RvdJ 2001/42). Evenmin als verweerder leest de Raad in de brief van Keij persoonlijke beledigingen aan het adres van klager. Er is ook geen reden om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van klagers brief mogelijk zou hebben geleid tot niet zinvolle herhaling van argumenten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het de redactie in dit geval niet vrijstond plaatsing achterwege te laten. Dientengevolge zijn er geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Cursor te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 mei 2002 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. G.H.J.M. Bueters en mw. F.W. Dresselhuys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-17