2002/16 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de vereniging Lokale Televisie-Omroep Loon op Zand (LTV3)

tegen

T. Tacken en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 8 oktober 2001 met een bijlage heeft de vereniging Lokale Televisie-Omroep Loon op Zand te Loon op Zand (klaagster) een klacht ingediend tegen T. Tacken en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (verweerders). Hierop hebben verweerders gereageerd bij brieven van 15 november 2001 met zes bijlagen. Namens klaagster heeft mr. Th.A.M. Richard, advocaat te Amsterdam, daarop nog geantwoord in een brief van 20 december 2001 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 februari 2001. Namens klaagster zijn daar R. Hoep, haar voorzitter, en mr. Richard verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Tacken en B. Brummelhuis, hoofdredacteur, verschenen.

DE FEITEN

Op 2 oktober 2001 is in het Brabants Dagblad een artikel van de hand van Tacken verschenen onder de kop "Loon op Zand wijst op 'signalen van belangenverstrengeling' - Commissariaat voor de Media onderzoekt lokale omroep LTV3". Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
"Deze krant schreef op 3 augustus dat LTV3-secretaris C. Knapen fulltime in dienst is bij Regionale Omroep Producties (ROP). Dat bedrijf maakt programma's voor de commerciële zender Regio TV, die deze zomer begon met uitzendingen in de gemeente Loon op Zand. Ook voorzitter R. Hoep zou als vrijwilliger voor Regio TV en het verwante Tilburg TV actief zijn."
en
"LTV3 heeft bij de gemeente Loon op Zand een subsidie-aanvraag lopen. Volgens het zittend bestuur heeft het die nodig om weer te kunnen gaan uitzenden. Voormalige vrijwilligers van LTV3 vermoeden echter dat het commerciële Regio TV erop uit is om terugkeer van een publieke concurrent te dwarsbomen."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de kop van het artikel een onjuiste suggestie inhoudt. Ten tijde van de publicatie deed het Commissariaat geen onderzoek. Evenzeer onjuist is dat de gemeente "het Commissariaat voor de Media (heeft) gevraagd onderzoek te verrichten". Volgens klaagster heeft de burgemeester het Commissariaat slechts geïnformeerd en niet om een onderzoek gevraagd. Dit strookt ook met het feit dat het Commissariaat bevoegd is om ambtshalve onderzoek te doen, aldus klaagster. Volgens haar is voorts onjuist dat klaagster "al geruime tijd geen uitzendingen meer (verzorgt), hoewel de omroep in het bezit is van een zendmachtiging". Klaagster verzorgt 24 uur per dag het lokale kabelkrantprogramma.
Daarnaast meent klaagster dat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat haar voorzitter als vrijwilliger is verbonden aan andere media. Hoep heeft niets met de genoemde organisaties te maken. Ook is secretaris Knapen niet in dienst bij Regionale Omroep Producties, maar bij het Brabants Omroep Bedrijf, dat zich - ook los van het ROP - bezig houdt met het produceren, ontwikkelen en begeleiden van producties van omroepprogramma's.
Verder stelt klaagster dat verweerders zich schuldig maken aan stemmingmakerij door geruchten in omloop te brengen. De desbetreffende passage is louter gebaseerd op uitlatingen van rancuneuze oud-medewerkers. Volgens klaagster hebben verweerders ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen dan wel de veronderstellingen te verifiëren. Dat het Commissariaat "gisteren niet voor een reactie bereikbaar was" volstaat niet als rechtvaardiging om dat na te laten.
Door deze berichtgeving is de goede naam van klaagster en die van haar voorzitter in diskrediet gebracht, hetgeen klaagster schaadt in haar relatie tot zowel de gemeente als het Commissariaat voor de Media.

Tacken stelt dat het artikel is gebaseerd op gemeentelijke stukken, waaruit blijkt dat het gemeentebestuur mogelijke belangenverstrengeling bij klaagster onderzocht wil hebben. Hij wijst op een brief van 29 augustus 2001 van de burgemeester aan het Commissariaat voor de Media. Daarin schrijft deze onder meer: "Aansluitend op het telefonisch onderhoud (...) doe ik u bij deze toekomen een tweetal krantenartikelen aangaande LTV3. Onlangs heeft er binnen LTV3 een wisseling van bestuurssamenstelling plaatsgevonden. Wij ontvangen signalen die zouden kunnen duiden op een mogelijke belangenverstrengeling. Wij achten het van belang dat u, vanuit uw functie belast met een controlerende en toezichthoudende taak, van deze signalen op de hoogte wordt gesteld." Verder wijst Tacken op een brief van 18 september 2001 die het bureauhoofd Welzijn namens de voorzitter van de commissie Algemene Bestuurlijke Zaken aan de leden van die commissie heeft gestuurd. Deze brief bevat de volgende passage: "Het Commissariaat zal vervolgens, vanuit de aan dit instituut toebedeelde controlerende en toezichthoudende functie, bepalen of hier daadwerkelijk sprake is van belangenverstrengeling." Blijkens deze stukken schrijft het gemeentebestuur de signalen van belangenverstrengeling toe aan eerdere publicaties in het Brabants Dagblad, aldus Tacken. Het gewraakte artikel is daarom mede op dit 'voorwerk' gebaseerd.
Tacken betwist dat de kop van het artikel suggestief dan wel feitelijk onjuist is. Volgens hem is duidelijk dat het Commissariaat op het verzoek van het gemeentebestuur om een onderzoek zal ingaan. Hij mocht er, mede gezien de inhoud van de hiervoor bedoelde brief van 18 september 2001, van uitgaan dat een onderzoek zal volgen.
Tacken stelt voorts dat reeds in het Brabants Dagblad van 3 augustus 2001, in een artikel met de kop "Oud-vrijwilligers LTV3 vrezen concurrentie Regio TV - 'Loonse omroep moet snel starten'", is vermeld dat Hoep indirect aan Regio TV en Tilburg TV is verbonden. Aangezien deze informatie werd verkregen van Knapen, die net als Hoep deel uitmaakt van het bestuur van klaagster, was het niet nodig de feiten te verifiëren. Hoep noch Knapen heeft zich naar aanleiding van het artikel van 3 augustus 2001 beklaagd. Al met al was er geen aanleiding om Hoep alsnog, voorafgaand aan de gewraakte publicatie van 2 oktober 2001, te benaderen. Overigens is in laatstbedoeld artikel, door gebruik van het woord 'zou' in minder stellige bewoordingen over de vermeende belangenverstrengeling bericht.
Ten slotte stelt Tacken dat in het artikel van 3 augustus 2001 twee met name genoemde oud-vrijwilligers van klaagster aan het woord zijn gelaten. Zij vertelden dat twee bestuursleden van klaagster ook verbonden zijn aan de commerciële concurrent, waardoor zij tegenstrijdige belangen dienen. Dat is de strekking van de passage in het artikel van 2 oktober 2001 over het vermoeden van voormalige vrijwilligers van klaagster. Van stemmingmakerij is volgens Tacken dan ook geen sprake. Ter zitting heeft Tacken er nog op gewezen dat in het artikel is vermeld dat klaagster "zich vorig jaar (beperkte) tot kabelkrantuitzendingen".
Brummelhuis betoogt dat sprake is van evenwichtige berichtgeving, inclusief een afgewogen commentaar. Klaagster noch haar voorzitter heeft zich eerder bij de hoofdredactie over de berichtgeving beklaagd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de klacht zijn drie onderdelen te onderscheiden:
1. het vermelden van onjuistheden
2. het niet toepassen van wederhoor
3. het in omloop brengen van ongefundeerde geruchten

Het artikel is onder meer gebaseerd op gemeentelijke stukken, te weten een brief van de burgemeester van Loon op Zand aan het Commissariaat voor de Media van 29 augustus 2001 en een brief van 18 september 2001 van het bureauhoofd Welzijn, namens de voorzitter van de commissie Algemene Bestuurlijke Zaken, aan de leden van die commissie. In deze brieven, die door Tacken als een voldoende betrouwbare bron mochten worden beschouwd, is vermeld: "Wij ontvangen signalen die zouden kunnen duiden op een mogelijke belangenverstrengeling" respectievelijk "Het Commissariaat zal vervolgens, vanuit de aan dit instituut toebedeelde controlerende en toezichthoudende functie, bepalen of hier daadwerkelijk sprake is van belangenverstrengeling." Verweerders hebben een en ander enigszins onnauwkeurig verwoord door onder meer te vermelden "Commissariaat voor de Media onderzoekt", terwijl niet is gebleken dat het Commissariaat ten tijde van de berichtgeving daadwerkelijk doende was de kwestie te onderzoeken. Dat is echter - gezien het feit dat de kwestie wel aan het Commissariaat is voorgelegd - onvoldoende voor het oordeel dat verweerders daarmee grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Met de wijze waarop is bericht over de vermeende betrokkenheid van klaagsters voorzitter Hoep bij Regio TV en Tilburg TV zijn evenmin grenzen overschreden. In het bericht hebben verweerders door het gebruik van de term 'zou' voldoende duidelijk aangegeven dat niet vaststaat dat Hoep voor de genoemde organisaties actief is. Het was beter geweest als zij Hoep ter zake om commentaar hadden gevraagd, maar dat zij dit hebben nagelaten is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet zo ernstig, dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Ook overigens heeft de Raad geen onjuistheden van betekenis kunnen vaststellen.

Wat betreft het derde onderdeel van de klacht overweegt de Raad dat een journalist bij dergelijke berichtgeving voldoende aannemelijk moet maken dat de geruchten waarop hij zich baseert daadwerkelijk circuleren, doch niet de feitelijke juistheid van de geruchten zélf behoeft aan te tonen (vgl. Hippisch Centrum Exloo tegen Stegen, RvdJ 2001/28). Uit hetgeen partijen hieromtrent hebben gesteld volgt niet dat deze norm in het onderhavige geval is geschonden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 mei 2002 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser en mw. F.W. Dresselhuys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-16