2002/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. ISRAËLS

tegen

E. VERHEY EN DE HOOFDREDACTEUR VAN VRIJ NEDERLAND

Bij brief van 12 november 2001 met zeven bijlagen heeft H. Israëls te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen E. Verhey en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (verweerders). Hierop hebben verweerders gereageerd bij brieven van 21 en 22 november 2001 met zeventien bijlagen. Klager is op die reacties ingegaan in een brief van 11 december 2001 met vijf bijlagen. Verweerders hebben daarop ten slotte geantwoord bij brieven van 20 december 2001 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 januari 2002. Klager en E. Verhey zijn daar verschenen.

DE FEITEN

Op 8 september 2001 is in Vrij Nederland een artikel van de hand van Verhey verschenen onder de kop "List, incest en bedrog - Verontwaardiging over 'Heilige verontwaardiging'". Het artikel gaat over (ophef over) klagers boek "Heilige verontwaardiging: Een onderzoek naar de feministische visie op incest" en met name over de begeleidingscommissie die door klager, in de inleiding van het boek, wordt bedankt. De intro van het artikel luidt:
"Drie bekende mannen moeten 'Heilige verontwaardiging' van Han Israëls van een wetenschappelijk Kema-keur voorzien. Alleen hebben de genoemden zijn boek nooit onder ogen gehad."
Het artikel bevat verder de passage:
"In de inleiding van Heilige verontwaardiging bedankt Israëls de leden van zijn 'begeleidingscommissie', 'bestaande uit prof. dr. A. de Swaan, prof. dr. P. Schnabel en de toenmalige divisiedirecteur van de GG&GD drs. J. Fransman die mij alle vrijheid hebben gegeven bij mijn eigenzinnige invulling van dit onderzoek.' Hetgeen op zijn zachtst gezegd een gotspe is: geen van de drie heren blijkt Heilige verontwaardiging ooit onder ogen te hebben gehad."

Op 6 oktober 2001 is in Vrij Nederland in de rubriek 'Vrije Tribune' een ingezonden brief van klager gepubliceerd onder de kop "Incestonderzoek". Daarin zet klager zijn visie omtrent het bestaan en het werk van de begeleidingscommissie uiteen. Klagers brief bevat onder meer de passages:
"Onlangs verscheen mijn boek Heilige verontwaardiging: Een onderzoek naar de feministische visie op incest. Dat boek begint met een onderzoek in het psychiatrisch archief van de Amsterdamse GG&GD. Het onderzoek in dat archief had een begeleidingscommissie; die heeft vooraf een keer vergaderd, meer niet. 'Ik dank de begeleidingscommissie,' zo schrijf ik in het boek, 'dat ze mij alle vrijheid hebben gegeven bij mijn eigenzinnige invulling van dit onderzoek.' Die formulering wekt de indruk dat die commissie niet erg veel heeft gedaan. Dat was ook zo. Ik heb de drie leden van de commissie een eerste versie van mijn tekst over dat archief gestuurd. Twee van de drie hebben daarop niet gereageerd. Wel hebben deze twee op andere manieren geholpen."
en
"Kort voor de presentatie van het boek berichtte Elma Verhey dat Schnabel, De Swaan en Fransman heel verontwaardigd waren (VN, 8-9-2001). Ze zeiden dat de indruk werd gewekt alsof zij mede verantwoordelijk waren voor de inhoud van het boek, maar zij wisten van niets. Zij betoogden dat er nooit een begeleidingscommissie was geweest, en dat zij nooit iets van de tekst van het boek hadden gezien. Waar was dat allemaal niet; dat heb ik ook Elma Verhey verteld. Vergeefs. Het dankwoordje wekt helemaal niet de indruk dat de leden van de commissie medeverantwoordelijk zijn voor de inhoud van het boek. Er was wel degelijk een begeleidingscommissie, ook al stelde die commissie niet veel voor. Allemaal hebben ze teksten van mij gekregen."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel ten onrechte de indruk is gewekt dat de begeleidingscommissie, niet zou hebben bestaan. De commissie heeft zich wel degelijk met zijn werk bemoeid, onder meer door hem indertijd toestemming te geven zich bij de analyse van de oude psychiatrische dossiers te richten op het thema incest, aldus klager. Hij heeft de commissie steeds zorgvuldig op de hoogte gehouden. De laatste keer was een half jaar voor publicatie, toen hij de voorzitter van de commissie - de heer De Swaan - de complete tekst van het boek heeft gestuurd, onder verwijzing naar de andere twee leden van de commissie. Klager wijst op een brief van De Swaan van 23 oktober 2001, waarin deze schrijft: "Wij hebben je uitgever geschreven om nog eens te onderstrepen dat wij voor de tekst van het boekje geen enkele verantwoordelijkheid dragen. Vervolgens is in krantenpublikaties de indruk gewekt dat je ons als begeleidingscommissie niet zorgvuldig bejegend zou hebben. Dat was ten onrechte. Met beste groet, mede namens Jaap Fransman en Paul Schnabel, Abram de Swaan." Klager heeft de commissie niet bedankt voor haar steun, maar voor het feit dat ze hem zijn gang heeft laten gaan bij zijn onderzoek in de archieven van de Amsterdamse GG&GD. Wie het boek gelezen heeft, weet dat alleen het eerste hoofdstuk over dat onderzoek gaat. Niets in de inleiding verwijst naar enige betrokkenheid van de commissie bij de andere twee hoofdstukken. Ter zitting benadrukt klager dat hij Schnabel elders in zijn boek heeft aangevallen, hetgeen hij niet zou hebben gedaan als hij alleen uit eigen belang - om zijn boek wetenschappelijk gewicht te geven - in de inleiding de begeleidingscommissie had opgevoerd.
Verder stelt klager dat hij Verhey voorafgaand aan de gewraakte publicatie telefonisch heeft meegedeeld welke contacten hij met de begeleidingscommissie heeft gehad. Bovendien heeft hij Verhey een afschrift gestuurd van een brief van Schnabel, waarin deze reageert op de toezending van een hoofdstuk van klagers boek. Verhey heeft van deze informatie ten onrechte geen gebruik gemaakt. Zij had moeten vermelden dat klager de uitspraken van Schnabel betwist. Voorts heeft Verhey op sommige punten nagelaten wederhoor toe te passen en ernstig partijdig over klagers boek bericht. Zo heeft zij bijvoorbeeld bepaalde uitspraken niet voor commentaar aan klager voorgelegd en heeft zij het over 'Han Israëls, altijd goed voor een rel' en 'de notoire ruziemaker Israëls'. Daarnaast heeft Verhey de inhoud van zijn boek verkeerd weergegeven door te schrijven "Israëls meent - in tegenstelling tot Draijer - dat seksueel misbruik van kinderen helemáál geen akelige gevolgen heeft.", terwijl klager deze mening helemaal niet is toegedaan.
Ten slotte stelt klager dat het artikel hem grote schade heeft toegebracht. Het was voor een onderzoeksinstituut reden om alsnog af te zien van zijn benoeming voor een baan waarover mondeling al overeenstemming was bereikt. De publieke beschadiging zal het vinden van nieuw werk niet gemakkelijker maken, aldus klager.
Desgevraagd bevestigt klager ter zitting dat zijn bezwaar tegen de berichtgeving over de commissie de kern van zijn klacht vormt. Dit onderdeel van de publicatie heeft de meeste schade aangericht. Klager weet niet of hij een klacht bij de Raad zou hebben ingediend, indien geen commotie rond de begeleidingscommissie zou zijn ontstaan.

Verhey schetst allereerst de achtergrond van het artikel. Zij heeft zich onder meer verdiept in het standpunt van Schnabel, die tot haar verbazing klagers boek niet kende. De leden van de 'begeleidingscommissie' vertelden haar dat zij jaren geleden waren gevraagd zitting te nemen in een commissie die een historisch onderzoek zou begeleiden naar dossiers van de GG&GD te Amsterdam. Die commissie is nooit formeel opgericht en de door klager bedankte wetenschappers voelden zich door de hen toegezwaaide dank 'gebruikt', aldus Verhey. Zij wijst op een brief van 3 september 2001, waarin de wetenschappers een en ander aan klagers uitgever berichten.
Verder stelt Verhey dat de wetenschappers het artikel voor publicatie hebben gelezen, en op feitelijke onjuistheden en verkeerd weergegeven citaten hebben gecontroleerd. Gezien hun status en daarmee verbonden verantwoordelijkheid, ook ten opzichte van klager, was er geen reden aan hun woorden te twijfelen. Bovendien hebben de heren zich in andere publicaties in vergelijkbare, en soms zelf sterkere bewoordingen uitgelaten over de kwestie. Overigens heeft Schnabel in een brief van 29 oktober 2001 aan De Swaan te kennen gegeven, dat hij zijn bezwaar handhaaft "dat hij (klager) mijn naam zonder mijn instemming gebruikt heeft met betrekking tot een boek waar ik niets mee te maken heb gehad en waarvan ik niet wist wat het inhield toen journalisten mij erover begonnen te bellen. Onze brief (bedoeld wordt de door klager aangehaalde brief van 23 oktober 2001) is bedoeld als een steuntje in de rug met een potentiële werkgever en kan niet gebruikt worden om alsnog een gelijk te halen dat er niet is." Daarnaast heeft klager in zijn ingezonden brief bevestigd dat de heren het manuscript van het boek niet van tevoren hebben ontvangen. Verhey meent voorts dat haar ten onrechte wordt verweten dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de door klager aan haar verstrekte informatie. In een telefoongesprek bevestigde klager dat de 'begeleidingscommissie' niet of nauwelijks had gefunctioneerd. Wel zou met name Schnabel anderhalf jaar eerder de uitkomst van een deel van klagers onderzoek in de GGD-dossiers ter inzage hebben gekregen. Verhey heeft die informatie bij Schnabel gecontroleerd en aldus in het artikel verwerkt: "In 1999 kreeg de nietsvermoedende Schnabel - hij had van het hele opus magnum nooit meer iets mogen vernemen - de voorlopige resultaten van Israëls eigenzinnige onderzoek toegestuurd. Met daarbij een schrijven waarin stond dat de hooggeleerde professor het 'vast niet zou lezen'. Schnabel: 'Ik vond dat zo'n krenkende brief dat ik het stuk inderdaad in de prullenbak heb gegooid.'" De gang van zaken is correct en met de nodige nuances weergegeven, aldus Verhey. Het commentaar van klager, met wie geen afspraak was gemaakt het artikel vooraf in te zien, heeft zij impliciet gebruikt. Verhey acht dit een toegestane journalistieke vrijheid, waarmee zij de waarheid geen geweld heeft aangedaan noch enige journalistieke norm heeft overschreden. De voor publicatie aan de geïnterviewden voorgelegde uitspraken tezamen met de hiervoor genoemde brief van 3 september 2001 aan klagers uitgever en de diverse gespreken met onder andere klager zelf, waren voldoende gecontroleerd bewijs voor de juistheid van de strekking van het artikel. Met de ter aanduiding van klager gebruikte termen als 'notoire ruziemaker' zijn naar de mening van Verhey geen grenzen overschreden. Zij wijst erop dat haar artikel weliswaar geen boekbespreking betrof, maar wat betreft de weergave van de inhoud van klagers boek inhoudelijk niet verschilt van de vergelijkbare scepsis waarmee het boek door verschillende media is ontvangen. Ten slotte benadrukt Verhey dat zij geen bemoeienis heeft gehad met de beslissing van het onderzoeksinstituut af te zien van de benoeming van klager en wijst zij er nogmaals op dat enige weken na de gewraakte publicatie een lange ingezonden brief van klager in Vrij Nederland is afgedrukt.
X. Schutte, hoofdredacteur van Vrij Nederland, voegt hieraan toe dat de hoofdredactie niets te verwijten valt. Volgens goed journalistiek gebruik is klager destijds om commentaar gevraagd, hetgeen ook in het artikel is verwerkt. De suggestie dat citaten van anderen verkeerd zouden zijn weergegeven is onterecht. Het artikel is voor publicatie aan alle met naam en toenaam genoemde geïnterviewden voorgelegd. Schutte wijst erop, dat van die geïnterviewden geen klachten zijn ontvangen. Verder stelt zij dat klager, middels publicatie van zijn ingezonden brief, uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen zijn visie op de gang van zaken in Vrij Nederland te publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht betreft, zoals klager zelf heeft aangegeven, de wijze waarop in het artikel is bericht over het bestaan van de door klager in de inleiding van zijn boek bedankte begeleidingscommissie en het feit dat verweerders geen gebruik hebben gemaakt van het ter zake door klager gegeven weerwoord. De Raad zal zich tot die kern beperken.

In de lijn van eerdere uitspraken stelt de Raad voorop dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid houdt in het algemeen onder meer in het toepassen van wederhoor. (vgl. onder meer Van Katwijk tegen Hovius en AD, RvdJ 2001/43).

Niet kan worden ontkend dat het gewraakte artikel een ernstige beschuldiging aan het adres van klager bevat, te weten dat hij teneinde zijn boek van een soort 'wetenschappelijk Kema-keur' te voorzien de begeleidingscommissie heeft opgevoerd, terwijl van enige begeleiding van die commissie, zo deze al heeft bestaan, geen sprake is geweest. De in de kop van het artikel gebezigde termen 'list' en 'bedrog' kunnen slechts daarop betrekking hebben.
Tegelijkertijd moet echter worden vastgesteld dat het weerwoord dat klager in het artikel opgenomen had willen zien, geen duidelijk antwoord bevat op de vraag naar het waarom van het dankwoord. Klager bevestigt dat het werk - zo daarvan al kan worden gesproken - van de begeleidingscommissie weinig of niets voorstelde: van begeleiding is geen sprake geweest, een feit dat klager, naar hij ter zitting opmerkte, ertoe gebracht heeft in het dankwoord te schrijven dat zij (de leden van de commissie) "mij alle vrijheid hebben gegeven bij mijn eigenzinnige invulling van dit onderzoek".
Uit een oogpunt van volledigheid zou het beter zijn geweest als in het artikel tot uitdrukking zou zijn gebracht dat de door klager genoemde begeleidingscommissie wel heeft bestaan. Daarmee zou zijn voorkomen dat de indruk kon ontstaan dat klager in zijn dankwoord een geheel aan zijn fantasie ontsproten commissie ten tonele had gevoerd. Dit verzuim is echter niet van zodanige aard dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat klager, door met naam en toenaam een begeleidings-commissie te bedanken die in feite niet heeft gefunctioneerd, zelf twijfels heeft opgeroepen omtrent de ware bedoelingen van dat dankwoord.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. A. Herstel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mr. A.H. Schmeink en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-15