2002/11 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. L. van Heijningen

tegen

C. van Harten en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 22 oktober 2001 met negen bijlagen heeft mr. L. van Heijningen te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen C. van Harten en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerders). Hierop heeft P.J.F. de Jonge, plaatsvervangend hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 25 oktober 2001. Van Harten heeft op de klacht gereageerd bij brief van 5 november 2001. Klager heeft zijn klacht vervolgens nader toegelicht in een schrijven van 14 november 2001 met zes bijlagen. De Jonge heeft daarop geantwoord in een brief van 27 november 2001. Daarop heeft klager ten slotte nog gereageerd bij brief van 28 december 2001 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 januari 2002. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn zoon mr. R.B. van Heijningen, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerders zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 17 september 2001 is in het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van Van Harten verschenen onder de kop “Hoe Knoop wereldnieuws werd”. De intro van het artikel luidt:
“De zaak Menten was de grootste Nederlandse media-affaire van de vorige eeuw. 25 Jaar geleden stond het land op z’n kop door de jacht op oorlogsmisdadiger Pieter Menten. De jagende journalist werd zelf wereldnieuws. In een terugblik vraagt Hans Knoop zich af of Menten wel een oorlogsmisdadiger was. ,,Met een goede advocaat was Menten wellicht vrijgesproken.”
Het artikel bevat onder meer het volgende, aan Knoop toegeschreven, citaat:
“Met een goede advocaat was Menten wellicht vrijgesproken. Maar hij werd verdedigd door de advocaat Van Heijningen, die vooral zijn eigen belang verdedigde. Van Heijningen zocht een politiek podium dat hij nooit had gehad. Later zou hij optreden voor de Centrumpartij. Hij maakte er een schandelijke wanvertoning van, liet getraumatiseerde getuigen nogmaals door de hel gaan.”
Daarnaast bevat het artikel de tussenkop “’Met een goede advocaat was Menten wellicht vrijgesproken’”.

Bij brief van 28 september 2001 heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel aan verweerders kenbaar gemaakt en verzocht deze reactie te publiceren. Dit verzoek heeft klager herhaald in een brief van 1 oktober 2001. Vervolgens heeft klager op 2 oktober 2001 een verkorte versie van zijn reactie aan verweerders doen toekomen, met het verzoek die versie onverwijld te plaatsen. Op 4 oktober 2001 is klagers brief in aangepaste vorm geplaatst onder de kop “Hans Knoop”. De tekst luidt:
“In het vraaggesprek met Hans Knoop (AD, 17 september) beweert deze dat mijn optreden als raadsman van Pieter Menten niet succesvol was. Echter, in Amsterdam werd mijn cliënt deels vrijgesproken, in Den Haag zelfs volledig. De uiteindelijke veroordeling werd uitgesproken in Rotterdam, maar toen trad ik niet als zijn advocaat op. Het is jammer dat Knoops geheugen hem 25 jaar na dato zo in de steek laat.”

Ten slotte heeft klager in een brief van 8 oktober 2001 bezwaar gemaakt tegen de aanpassingen in zijn ingezonden brief en verzocht zijn ingezonden stuk van 2 oktober 2001 alsnog in onverkorte vorm te plaatsen of klager. Hierop heeft De Jonge in een brief van 12 oktober 2001 aan klager meegedeeld, dat met het afdrukken van de brief de geconstateerde feitelijke onjuistheden zijn rechtgezet, dat de brief gewetensvol is behandeld en dat er geen aanleiding is daarop terug te komen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel onjuiste, diffamerende uitlatingen bevat, waardoor hij ten onrechte in een slecht daglicht is geplaatst. Hij wijst er onder meer op dat hij Menten als advocaat heeft bijgestaan in procedures voor de rechtbanken in Amsterdam en Den Haag. Voor de rechtbank in Amsterdam werd vrijspraak van een van de twee ten laste gelegde feiten verkregen, in de procedure te Den Haag volgde vrijspraak. De rechtbank in Rotterdam heeft Menten uiteindelijk veroordeeld, maar klager was bij die procedure niet meer betrokken. Verder wijst hij diverse publicaties uit het verleden, waarvan twee in het Algemeen Dagblad van 23 maart 1977 met de kop “Knoop rent zichzelf voorbij in “historisch document” – Kritiekloos boek over zaak-Menten” respectievelijk “Knoop bereid foute passage in boek te herschrijven”. Volgens klager blijkt uit al die publicaties dat Knoop eerder onwaarheden over de zaak-Menten verkondigde en derhalve een onbetrouwbare bron is, hetgeen aan verweerders genoegzaam bekend had moeten zijn. Verweerder hadden van deze informatie gebruik moeten maken, onder meer door te putten uit eigen archief. Door dat na te laten hebben verweerders onbehoorlijk en onzorgvuldig gehandeld. Bovendien hebben verweerders nagelaten wederhoor toe te passen door hem niet voorafgaand aan de publicatie om een reactie te vragen.
Verder stelt klager dat verweerders niet hebben voldaan aan het verzoek om zijn ingediende stuk onverkort te plaatsen. Met name maakt klager bezwaar tegen het feit dat in zijn brief is geschrapt de passage waaruit blijkt, dat hij ‘ongaarne’ op de zaak terugkomt. Hij hecht hier grote waarde aan, omdat hij bij voorkeur nooit meer over de zaak-Menten wil praten, enerzijds omdat het pijnlijk is voor oorlogsslachtoffers als aandacht aan de zaak-Menten wordt besteed, anderzijds omdat Menten inmiddels is overleden en zijn nabestaanden geen behoefte hebben aan publiciteit. De ten onrechte gepubliceerde verwijten als zou hij als advocaat van Menten verwijtbaar te kort zijn geschoten, zijn echter onaanvaardbaar en reden waarom hij zich middels een ingezonden brief tot verweerders heeft gewend.
Klager concludeert dat de onrechtmatigheden in het gewraakte artikel door de publicatie van zijn, naar zijn mening verminkte, ingezonden brief niet voldoende zijn goed gemaakt en dat het lezerspubliek onjuist is voorgelicht. Hij acht zich door een en ander in zijn eer en goede naam als advocaat aangetast.

De Jonge stelt voorop dat aanleiding voor de publicatie van het vraaggesprek met Knoop was dat het 25 jaar geleden was dat hij in de zaak-Menten een cruciale rol had gespeeld. In het interview ging het in hoofdzaak om Knoops persoonlijke waarnemingen en herinneringen en de betekenis die de gebeurtenissen voor zijn verdere leven hebben gehad. In het artikel zijn door Knoop situaties weergegeven zoals hij die persoonlijk heeft beleefd. Dit geldt ook voor de alinea over het optreden van klager als advocaat van Menten. De uitspraken van Knoop zijn ook nadrukkelijk als citaten aan hem toegeschreven en hij is achteraf op geen enkel onderdeel van het interview teruggekomen.
De Jonge meent dat het interview als genre niet verheven is boven het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor en dat ernstige beschuldigingen vergezeld behoren te gaan van wederhoor. In de gewraakte publicatie ging het echter niet om de drang tot onthulling, maar om de uitdrukking van het gevoel waarmee Knoop terugblikte op de rol van klager in het beladen proces dat Nederland 25 jaar geleden maanden lang in zijn greep hield.
Wat betreft de ingezonden brief van klager stelt De Jonge allereerst dat Van Harten hierop niet kan worden aangesproken. Verder stelt hij dat de eerste ingezonden brief van klager niet voldeed aan de maximumlengte van 200 woorden. Bovendien was sinds de publicatie zoveel tijd verstreken dat er geen aansluiting meer was met de actualiteit. In dat licht is aan klager meegedeeld dat publicatie van zijn brief niet meer zinvol zou zijn, nog afgezien van de lengte van zijn reactie. Nadat klager zich op 1 en 2 oktober 2001 tot de hoofdredacteur wendde met een verkorte versie van zijn ingezonden brief, is besloten de brief in essentie alsnog te plaatsen. Aangezien het tweede gedeelte van klagers brief niet rechtstreeks betrekking had op de uitlatingen van Knoop, is dat gedeelte bij de publicatie achterwege gelaten, zonder afbreuk te doen aan de kern van klagers reactie. Ten slotte stelt De Jonge dat klager zich in zijn verkorte versie weliswaar heeft beperkt tot de maximumlengte van 200 woorden, maar dat zulks niet de garantie biedt dat de redactie daaraan niets meer verandert. In de krant wordt nadrukkelijk vermeld dat de redactie zich het recht voorbehoudt brieven ‘te weigeren, te redigeren of in te korten’, aldus De Jonge.

Van Harten sluit zich aan bij het verweer van De Jonge.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a. onjuiste, diffamerende berichtgeving op basis van informatie afkomstig van een onbetrouwbare bron, zonder behoorlijk onderzoek en zonder toepassing van wederhoor;
b. het niet onverkort plaatsen van klagers ingezonden brief.

Klager speelt in het artikel slechts zijdelings een rol. Knoops negatieve oordeel over het optreden van klager als advocaat van Menten wordt echter wel zeer nadrukkelijk onder de aandacht van de lezer gebracht. De woorden van Knoop “Met een goede advocaat was Menten wellicht vrijgesproken” komen tot driemaal toe in het artikel voor, waaronder eenmaal in de intro en eenmaal opvallend in een tussenkop. Dat de veroordeling van Menten mogelijk mede te wijten is aan de kwaliteit van de door klager aan hem verleende rechtsbijstand is een uitlating die een zodanige smet op klager als advocaat werpt, dat verweerders deze niet zonder meer – dat wil zeggen: zonder blijk te geven van nader onderzoek – hadden mogen publiceren. Knoop is waar het de (juridische merites van de) zaak-Menten betreft duidelijk niet een zodanige bron dat verweerders zonder meer op zijn woorden mochten afgaan. Eenvoudig archiefonderzoek had kunnen leren dat klager niet meer als verdediger voor Menten optrad toen deze uiteindelijk (door de Rotterdamse rechtbank) werd veroordeeld, maar juist wel toen Menten in een eerdere fase van het proces aanvankelijk ten dele en vervolgens geheel werd vrijgesproken. In plaats van archiefonderzoek te doen hadden verweerders ook wederhoor kunnen toepassen, maar ook dat hebben zij ten onrechte nagelaten. Wat onderdeel a. betreft hebben verweerders grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is (vgl. Vogelzang tegen Sant, RvdJ 2001/50).

In verband met onderdeel b. stelt de Raad voorop, dat het gebruikelijk is dat de beoordeling door een krant of al dan niet tot plaatsing van een ingezonden artikel wordt overgegaan, mede afhangt van de lengte van de aangeleverde tekst. De rubriek ‘Lezers aan het woord’ van het Algemeen Dagblad vermeldt op dit punt: “Reacties in maximaal 200 woorden (…)”. In dit licht is niet ontoelaatbaar dat verweerders de eerste versie van klagers ingezonden brief niet hebben willen plaatsen.
Verder dient een redactie, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het gebruikmaken van haar recht tot het inkorten of redigeren van ingezonden brieven te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief (vgl. onder meer: Pels tegen de Volkskrant, RvdJ 2001/40). Uit de tweede versie van klagers brief is weliswaar een gedeelte geschrapt, maar klager heeft niet aannemelijk weten te maken dat dat gedeelte zo een essentieel onderdeel uitmaakt van zijn brief, dat weglating ervan afbreuk zou doen aan inhoud of strekking van de brief. De strekking van klagers brief was, dat Knoop onjuiste uitlatingen had gedaan over de zaak-Menten en klagers optreden in die zaak. Die strekking is volledig overeind gebleven, ondanks het weglaten van een gedeelte van klagers brief. Het feit dat klager grote waarde hecht aan de vermelding dat hij ‘ongaarne’ op de kwestie terugkwam, kan hieraan niet afdoen. Op dit punt hebben verweerders derhalve geen grenzen overschreden.

BESLISSING

Onderdeel a. van de klacht is gegrond, onderdeel b. is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 maart 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. A. Herstel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mr. A.H. Schmeink en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-11