2002/10 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

O.M. van Os

tegen

I. Jungschleger en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brieven van 31 augustus met zes bijlagen en een schrijven van 21 september 2001 met een bijlage heeft O.M. van Os te Amsterdam (klage-r) een klacht inge-diend tegen I. Jungschleger en de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerders). Hierop heeft P.I. Broertjes, hoofdredacteur, mede namens Jungschleger gereageerd bij brief van 9 oktober 2001. Klager heeft zijn klaagschrift nog aangevuld in een brief van 13 oktober 2001 met een vijf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 december 2001. Klager is daar verschenen, verweerders zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op 25 augustus 2001 is in de Volkskrant in de rubriek ‘Tuchtcollege’ een artikel van de hand van Jungschleger verschenen onder de kop “Moeder en zoon”. Klager heeft een klacht ingediend tegen twee huisartsen en een psychiater over de behandeling van zijn moeder. Het artikel, dat gaat over de behandeling van deze zaak door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, bevat het volgende aan klager toegeschreven citaat:
“Zij (klagers moeder) is zeer wantrouwend, waardoor ik in huis geen enkele vrijheid heb. Ze grijpt naar de andere hoorn om mee te luisteren zodra ze merkt dat ik bel.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat op de zitting van het tuchtcollege niet aan de orde is geweest, dat zijn moeder zou meeluisteren aan de telefoon en dat hij zich daarover niet heeft uitgelaten.
Ter toelichting stelt klager dat hij soms aan de telefoon als woordvoerder van zijn moeder optreedt, aangezien zijn moeder vaak verward is. Klager en zijn moeder maken in zulke gevallen gebruik van twee telefoonhoorns, die zich beide in klagers kamer bevinden, en voeren op die manier samen gesprekken met een arts of een doktersassistente. Volgens klager is dit alleen bekend bij de betreffende artsen en vermeld in het medisch dossier van zijn moeder. Klager vermoedt dat Jungschleger na afloop van de zitting van een arts informatie heeft verkregen over de wijze waarop klager en zijn moeder soms telefoneren en deze informatie vervolgens in het artikel heeft verwerkt. Klager acht het ontoelaatbaar dat een arts medische gegevens heeft prijsgegeven en dat verweerders daarvan gebruik hebben gemaakt. Door de berichtgeving worden de problemen met zijn moeder gebagatelliseerd, aldus klager. Ter zitting erkent hij, dat hij zich niet precies kan herinneren wat hij op de zitting van het tuchtcollege heeft gezegd. Klager zou zich erbij neerleggen als ‘zwart op wit’ staat dat hij de bewuste uitlating heeft gedaan en merkt in dat verband op dat verweerders de aantekeningen van Jungschleger niet hebben overgelegd.

Verweerders stellen dat de gewraakte passage een letterlijk citaat is van een uitlating van klager tijdens de zitting van het tuchtcollege. Op de zitting somde klager een aantal voorbeelden op van paranoïde gedrag van zijn moeder. Jungschleger koos dit citaat als het meest treffende voorbeeld. De zitting werd niet op geluidsband geregistreerd en Jungschleger kan derhalve geen ander bewijsmateriaal overleggen dan haar aantekeningen. Volgens verweerders heeft Jungschleger na afloop van een arts geen informatie ontvangen die niet al tijdens de zitting aan de orde was geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft de vraag of klager in het artikel juist is geciteerd. De standpunten van partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar. Er is voorts geen materiaal voorhanden op grond waarvan kan worden beoordeeld wat klager op de zitting van het tuchtcollege daadwerkelijk heeft gezegd. Weliswaar beschikt Jungschleger klaarblijkelijk over aantekeningen van die zitting, maar ook al zouden verweerders die aantekeningen ter beschikking van de Raad hebben gesteld dan nog hadden deze, vanwege de mogelijkheid deze achteraf te wijzigen of aan te passen, niet als (sluitend) bewijs kunnen dienen (vgl. Zwarts/Blankvoort en Nieuw Kamper Dagblad, RvdJ 2000/27).

De Raad kan derhalve niet vaststellen of klager in het artikel uitspraken in de mond zijn gelegd die hij niet heeft gedaan. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 februari 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-10