2002/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

T.K. Bosman

tegen

L. Dros en de hoofdredacteur van Trouw

Bij brief van 22 juli 2001 met twaalf bijlagen heeft T.K. Bosman te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen L. Dros en de hoofdredacteur van Trouw (verweerders). Hierop heeft J. de Berg, hoofdredacteur, gereageerd bij brief van 4 september 2001, onder toezending van een separate reactie van Dros van 3 september 2001. Klager is op die reacties ingegaan in een schrijven van 22 juli 2001. Daarop heeft De Berg nog gereageerd bij brief van 5 oktober 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 6 juni 2001 is in Trouw een artikel van de hand van Dros verschenen onder de kop "U mag best aan God denken, maar het hoeft niet". Het artikel bevat een recensie van het door klager geschreven boek "Wat kan ik weten? Een reeks korte overdenkingen in religieus perspectief". Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
"De exercitie van Bosman voert langs verre gewesten van de geest. Welke meetlat de auteur precies gebruikt, wordt niet duidelijk."
en
"Het is het belangrijkste bezwaar tegen dit boek: het veronachtzaamt fundamentele verschillen, door ze af te doen als 'een ander jasje'. En wee de theoloog die al de bijbelse gebeurtenissen voor 'min of meer historisch' houdt, net als ze in die andere openbaringsgodsdiensten doen. Fundamentalisten zijn het, engerds die zomaar andersgelovigen geweld kunnen aandoen. Curieus genoeg is Bosman niet consequent als hij uitvaart tegen hen die weigeren aan te nemen dat het allemaal projectie is."

Naar aanleiding van de publicatie heeft Bosman op 11 juni 2001 een ingezonden stuk aan de redactie van Trouw gestuurd. Vervolgens maakt hij in een brief van 20 juni 2001 aan de hoofdredactie zijn bezwaren tegen de publicatie kenbaar. Op 26 juni 2001 stuurt hij de hoofdredactie van Trouw een tweede ingezonden brief met het verzoek deze te plaatsen op bijvoorbeeld de Podium-pagina van Trouw. Hierop reageert De Berg in een schrijven van 27 juni 2001 onder meer aldus:
"Doordat ik een paar dagen afwezig ben geweest (...) is de beantwoording van de hoofdredactionele post enigszins vertraagd. (...) Dat schrijvers zich door een recensent tekortgedaan voelen, komt helaas vaker voor. Als het een boekbespreking in Trouw betreft, krijgt de hoofdredactie doorgaans het verzoek voorgelegd het werk in kwestie zelf door te nemen en de schrijver (zowel als de lezers van de krant) in kennis te stellen van het daaruit voortvloeiende oordeel. Als een dag vierentwintig werkuren telde, zouden we zo'n verzoek in overweging kunnen nemen, maar in de gegeven omstandigheden is dat ondoenlijk. Ik heb me er dan ook toe moeten beperken, op een enkele plaats vluchtig kennis te nemen van de inhoud van uw boek en met collega Dros te bespreken hoe hij bij de voorbereiding van de recensie te werk is gegaan.(...) Hij erkende dat hij sommige aspecten van uw betoog wat sterker had aangezet dan u zelf had gedaan. Dat gebeurt vaker in een dagblad, dat er nu eenmaal rekening mee moet houden dat vaagheden en subtiliteiten de meeste lezers niet tot kennisneming van een artikel stimuleren. Het is waar dat uit de recensie blijkt dat de bespreker geen fan is van het religieus humanisme. Dat lijkt me op zichzelf geen bezwaar. Relevanter is of uw boek hem ervan overtuigd heeft dat hij zijn visie op dit humanisme zou moeten wijzigen of althans nuanceren. Zoveel overtuigingskracht is er kennelijk niet van uitgegaan. Ik begrijp dat dit voor u teleurstellend is, maar ik zou die teleurstelling alleen kunnen delen als aannemelijk was dat collega Dros niet serieus van uw uiteenzetting had kennisgenomen. In uw brief van 26 juni verzoekt u ons, alsnog een wat gunstiger licht op het thema van uw boek te werpen door op de pagina Podium een korte beschouwing van uw hand af te drukken. Dit verzoek zal ik voorleggen aan de redactie van Podium. (...)"
De daarop volgende correspondentie tussen klager en verweerders heeft niet tot een oplossing van het gerezen geschil geleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat Dros zijn boek niet objectief heeft willen bespreken maar heeft getracht vanuit een zekere vooringenomenheid handvatten te zoeken om klagers boek voor het lezerspubliek onaantrekkelijk te maken. Dit blijkt volgens klager onder meer uit het feit dat in het artikel bepaalde passages uit het boek met een andere woordkeus vertekend zijn weergegeven en andere passages uit hun context zijn geplaatst, zodanig dat daardoor klagers bedoeling vervangen wordt door een andere, negatieve, soms tendentieuze gevoelswaarde. Verder heeft klager de indruk dat Dros bepaalde delen uit het boek niet (goed) gelezen heeft en meent hij dat Dros heeft nagelaten de strekking van het boek ter vermelden. Ter ondersteuning van zijn stellingen wijst klager op diverse passages uit zijn boek en maakt hij een vergelijking met hetgeen Dros in zijn recensie ter zake heeft opgemerkt. Klager merkt op dat een aantal zeer lovende recensies over zijn boek zijn verschenen.
Verder stelt klager dat De Berg niet adequaat op zijn bezwaren heeft gereageerd. De Berg heeft zich onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid om kennis te nemen van klagers bezwaren en er inhoudelijk op in te gaan. Klager meent ten slotte dat hem ten onrechte de mogelijkheid is ontnomen om in Trouw met Dros in debat te gaan over de belangrijkste bezwaren van Dros tegen klagers boek dan wel om in Trouw een weerwoord te plaatsen.

De Berg stelt dat uit de eerste ingezonden brief van klager weliswaar bleek dat deze niet was ingenomen met de recensie, maar dat die brief geen kopij vormde die aan redelijke eisen van leesbaarheid en bevattelijkheid voldeed. In zijn tweede ingezonden brief van meer algemene aard verkondigde klager zijn versie van het religieus humanisme en maakte hij terloops gewag van zijn boek. Het verzoek tot publicatie van deze brief is in overweging genomen maar om twee redenen niet gehonoreerd. Allereerst zouden de lezers zich terecht hebben afgevraagd wat de actuele aanleiding was voor dit religieus-humanistische pleidooi, dat niet naar een eerder artikel in Trouw verwees. In de tweede plaats had de Podium-redactie meer dan voldoende kopij voorradig die om journalistieke redenen voorrang verdiende, aldus De Berg.

Hij vindt het jammer als een recensie bij een schrijver de indruk wekt dat zijn boek niet op waarde is geschat. Een enkele keer biedt zo een schrijver een reactie aan, die voor plaatsing in aanmerking komt, wanneer ze als weerwoord herkenbaar is en beknopt en helder ingaat op zaken waarvan de lezers zich een voorstelling kunnen vormen zonder er een oud nummer van de krant bij te halen. De ingezonden brieven van klager voldeden niet aan die voorwaarden. De Berg stelt overigens Dros als een gewetensvolle redacteur te kennen.
Dros voegt hieraan toe dat hij na lezing van klagers boek wel degelijk heeft getracht het naar eer en geweten te bespreken. Anders dan klager veronderstelt, is hem een zekere sympathie voor klagers religieus-humanistische denkwijze niet vreemd. De verwerking van daarvan in klagers boek kon Dros echter niet erg waarderen. Hij stelt dat hij niet anders heeft gedaan dan zich een oordeel vormen, hetgeen klager niet welgevallig is. Ten slotte meent Dros dat Trouw niet het juiste medium is om een discussie te voeren over klagers boek. Het is geen gebruik over verkeerd gevallen recensies te gaan steggelen in de krant. Dat betekent niet dat het gesprek erover gesloten is, aldus Dros.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan een recensent een grote mate van vrijheid toe, niet alleen wat de vorm van de recensie betreft, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Bij het geven van zijn, kritische, mening over het werk waarop de recensie betrekking heeft behoeft de recensent zich in het algemeen niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker van het besproken werk. Voor het oordeel dat dat in dit geval anders is, bestaat geen grond. Bovendien is het beginsel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, bij recensies niet aan de orde (vgl. onder meer: Hoole en Reussien tegen Van Dam en 'Special Report', RvdJ 2001/39; Medical Service Europe tegen Sugar.nl, RvdJ 2001/23; Galama tegen Van Kleef en Knapen, RvdJ 2001/17; Braam tegen Van Maanen, RvdJ 2000/62). Het negatieve commentaar van Dros is klager mogelijk niet welgevallig. Dit levert echter geen grond op voor het oordeel dat verweerders hebben gehandeld in strijd met enige journalistieke norm. De recensie bevat een persoonlijk oordeel van de journalist, hetgeen ook duidelijk aan de lezer kenbaar is gemaakt, en het stond Dros in alle opzichten vrij zijn mening te uiten op de wijze als hij heeft gedaan. Dat Dros bewust een vertekend beeld van bepaalde onderdelen van het boek heeft gegeven met de bedoeling dit - zoals klager benadrukt - 'voor de lezer als puur oninteressant af te schilderen', heeft de Raad niet kunnen vaststellen.

Voorts zijn geen feiten gebleken op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het niet plaatsen van klagers ingezonden brief journalistiek onbehoorlijk gedrag jegens hem oplevert. Immers, in beginsel behoort de beslissing aangaande het al dan niet plaatsen van een reactie op een artikel tot de vrijheid van de redactie, onverminderd het recht van een betrokkene om feitelijke onjuistheden recht te zetten. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat er feitelijke onjuistheden in de recensie staan. (vgl. onder meer: Gremmen tegen 'Wat u zegt!', RvdJ 2001/42; Willemsen tegen Köhler, RvdJ 2000/19). De Raad heeft in een eerdere zaak nog overwogen dat het aanbeveling verdient voor een hoofdredactie om alert en adequaat te reageren wanneer door middel van een ingezonden brief om een weerwoord wordt gevraagd (zie: CCI tegen PCM, RvdJ 1995/30). Gezien de brief van De Berg aan klager van 27 juni 2001 en gelet op hetgeen partijen overigens in dit verband hebben opgemerkt, is de Raad van mening dat zulks in het onderhavige geval is gebeurd.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 januari 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur, mw. C.D. Smolders, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-01