2001/9 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

F. Neter-Polak en P. Duveen-Berkelouw

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

C. Cassuto

 

 

 

 

Bij brief van 20 november 2000 met drie bijlagen hebben F. Neter-Polak en P. Duveen-Berkelouw (klaagsters) een klacht ingediend tegen C. Cassuto, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (verweerster). Klaagsters hebben nader gereageerd in een brief van 16 januari 2001 (per abuis gedateerd 2002), waarop verweerster nog kort heeft geantwoord in een brief van 19 januari 2001.

 

 

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2001 in aanwezigheid van Neter-Polak en Cassuto.

 

 

 

 

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

 

 

 

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

 

Klaagsters kunnen zich, tezamen met zes gelijkgezinden, niet verenigen met de door het Centraal Joods Overleg (CJO) geformuleerde criteria met betrekking tot de vraag wie in aanmerking komen voor restitutie van "de joodse tegoeden". Omdat de Minister van Financiën zich met de door het CJO vastgestelde criteria akkoord heeft verklaard, heeft het achttal hierover in kort geding geprocedeerd tegen de Staat der Nederlanden. In september 2000 heeft de groep het kort geding verloren.

 

 

 

 

Op 10 november 2000 heeft het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) in een uitgebreid artikel op de voorpagina bericht dat het achttal hoger beroep tegen het kort geding ging instellen. Boven het artikel is als kop vermeld: "Ächttal zet vrijwel kansloze strijd voort". In het artikel komen diverse personen over de kwestie aan het woord, waaronder Neter-Polak:
"Flory Neter-Polak, voorzitter van het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers (VBV), die op persoonlijke titel bij de acht hoort, klinkt echter weinig hoopvol als ze vertelt over deze laatste principiële poging. Maar, verklaart ze: "Niet geschoten, is altijd mis. Wie A zegt, moet B zeggen en een man een man, een woord een woord"."

 

 

 

 

Klaagsters hebben bij brief van 10 november 2000 verweerster gevraagd om rectificatie van de kop van het artikel. Verweerster heeft hier afwijzend op gereageerd.

 

 

 

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagsters hebben geen bezwaar tegen de inhoud van het artikel van 10 november, maar wel tegen de kop die erboven staat. Zij zijn van mening dat de kop opiniërend is en uit de mond van iemand is opgetekend, terwijl deze niet aan een zegsman wordt toegeschreven. Het staat het NIW volgens klaagsters vrij om in opiniërende zin over de kansen van een hoger beroep te berichten, maar door de gewraakte kop worden volgens hen feiten en meningen op ontoelaatbare wijze met elkaar vermengd. Daarbij merken zij op dat het NIW zowel een informatieve als opiniërende functie heeft, maar de voorpagina uitsluitend nieuws en informatie bevat. De kop maakt het klaagsters moeilijk de hoop op een succesvolle afloop van de procedure levend te houden. "Vrijwel kansloos" ervaren zij als denigrerend, vooral tegen de achtergrond van een eerder gepubliceerd hoofdredactioneel commentaar over de kwestie.

 

 

Verweerster stelt dat de kop neutraal, zij het interpreterend is. Er wordt geen 'partij getrokken' of moreel oordeel geveld; het bevat een inschatting van de kansen gezien de gehele context, waaronder de houding van Neter-Polak zelf. De kop is niet opgetekend uit de mond van een van de zegslieden van het NIW. Verweerster wijst er op dat het artikel van 10 november 2000 is voorafgegaan door verschillende artikelen over de kwestie. Uit de reeks van artikelen blijkt niet van bevooroordeeldheid van het NIW. Ook Duveen-Berkelouw is in die reeks uitgebreid aan het woord gelaten. Wel heeft verweerster in het verleden over de kwestie een hoofdredactioneel commentaar met een negatieve strekking geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De gewraakte kop behelst een conclusie van de redactie met betrekking tot de inhoud van het onder die kop gepubliceerde artikel. Gegeven de tekst van het artikel dekt de kop de lading. Met klaagsters meent de Raad dat de kwalificatie van de aanhangig gemaakte rechtszaak als een vrijwel kansloze strijd geen feit is, maar een oordeel. Het verwerken van zo'n oordeel in de kop van een nieuwsbericht (waarin voldoende grondslag voor dat oordeel te vinden is) strijdt echter niet met journalistieke normen. De opvatting van klaagsters dat juist het NIW behoedzaam moet omgaan met het onderscheid tussen feiten en oordelen doet daar niet aan af: het is immers aan de redactie van het NIW om op dat vlak de koers te bepalen.
Klaagsters zien de gebruikte kop tegen de achtergrond van een eerder, hen onwelgevallig hoofdredactioneel commentaar. De Raad kan daar echter niet in meegaan nu het gebruik van de gehanteerde koptekst op zichzelf geoorloofd is. Overigens wijst verweerster er terecht op dat ook aan de opvattingen van klaagsters en haar medestanders ruim aandacht in het NIW is besteed.

 

 

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

 

De Raad verzoekt verweerster deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Nieuw Israëlietisch Weekblad.

 

 

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 maart 2001 door mr. D. Allewijn, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, prof. mr. W.D.H. Asser en mw. drs. J.W.M. Kok, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

 

 

 

 

Uitspraak 2001-09