2001/6 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. Scheurwater

tegen

TV Rijnmond, Rotterdams Dagblad, De Dordtenaar, De Havenloods en De Telegraaf

Bij brieven van 20 en 23 september 2000 met in totaal zes bijlagen heeft mr. A. Scheurwater (klager) een klacht ingediend tegen TV Rijnmond, Rotterdams Dagblad, De Dordtenaar, De Havenloods en De Telegraaf (verweerders). Hierop heeft C. van der Wel, hoofdredacteur van TV Rijnmond gereageerd in een brief van 9 oktober 2000 met bijlage. J. Prins, hoofdredacteur van Rotterdams Dagblad heeft gereageerd bij brief van 25 oktober 2000 met bijlage. De Dordtenaar heeft haar reactie gegeven in een brief van 6 oktober 2000 met drie bijlagen van hoofdredacteur H. Kerstiens. De Havenloods heeft gereageerd in een brief van 26 oktober 2000 met drie bijlagen van hoofdredacteur J. Sieben. De Telegraaf heeft niet gereageerd. Klager heeft zijn klacht nader toegelicht in twee brieven van 2 november 2000 met een bijlage. J. Sieben heeft namens De Havenloods nog nader gereageerd in een brief van 20 november 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2001. Naast klager zijn op de zitting verschenen H. Soeters, Y. Keune en F. van der Krol namens Rotterdams Dagblad en J. Sieben en A. van der Lee namens De Havenloods. De overige verweerders zijn niet verschenen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager heeft gedurende circa 23 jaar de functie vervuld van secretaris-rentmeester bij het waterschap IJsselmonde. In juli 1999 is klager door zijn werkgever geschorst op verdenking van corruptie, valsheid in geschrifte en verduistering. De kwestie betrof een door het waterschap aan een aannemersbedrijf verzonden rekening van fl. 4.000,= voor een partij straatstenen, over welke rekening onenigheid bestond. Klager zou de aannemer hebben voorgesteld het bedrag namens het waterschap kwijt te schelden mits hij zelf de helft van genoemd bedrag van de aannemer zou ontvangen. Hierover was tijdens een bij de aannemer uitgevoerde controle een brief van klager gevonden.
Gedurende de schorsing heeft onderzoek plaatsgevonden naar de juistheid van de verdenkingen. Het onderzoek heeft erin geresulteerd dat de officier van justitie in juli 2000 heeft besloten de zaak te seponeren. Het algemeen bestuur van het waterschap heeft naar aanleiding van de kwestie klager in september 2000 eervol ontslag verleend. Het bestuur heeft hierover op 14 september 2000 een persbericht doen uitgaan en op 15 september 2000 een persconferentie gehouden.

Klager was op 14 en 15 september wegens vakantie afwezig.
Op 18 september 2000 's avonds is klager naar aanleiding van de kwestie afgetreden als voorzitter van de CDA-fractie van de gemeenteraad van Hendrik-Ido Ambacht. Dit is op 19 september 2000 door het CDA bekend gemaakt.

TV Rijnmond heeft op 16 en 17 september 2000 op haar teletekstpagina's bericht over het ontslag van klager. Vermeld is dat het ontslag heeft plaatsgevonden "vanwege fraude", gevolgd door een beschrijving van de afspraak over de kwijtschelding van de rekening van fl. 4.000,=.
Het Rotterdams Dagblad heeft op 14 en 15 september 2000 aandacht aan het ontslag besteed. In de desbetreffende artikelen is vermeld dat klager ontslagen is omdat hij zich schuldig "zou hebben gemaakt" aan fraude en is aandacht besteed aan de achtergrond rond de kwijtgescholden rekening. Ook is het besluit van de officier van justitie vermeld klager niet strafrechtelijk te vervolgen wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.
De Havenloods heeft op 21 september 2000 over het ontslag gepubliceerd. In het artikel is de kwestie rond de rekening voor de straatstenen beschreven en is vermeld dat de zaak door de officier van justitie is geseponeerd bij gebrek aan bewijs.
De Dordtenaar heeft in een artikel van 20 september 2000, dat over een ander onderwerp ging, kort verwezen naar het ontslag van klager. In de op klager betrekking hebbende passage is vermeld dat klager door het waterschap "wegens fraude" is ontslagen.
De Telegraaf heeft op 15 september 2000 over het ontslag van klager bericht onder de kop "Sjoemelende bestuurder met eervol ontslag". In het artikel is de straatstenenkwestie beschreven. Eerst is vermeld dat klager zich "zou hebben willen verrijken", later dat klager in ruil voor kwijtschelding van de rekening de helft van de winst verlangde. Over het sepot is vermeld: "Het openbaar ministerie vond weliswaar een brief over het 'samen-delen'-aanbod van de secretaris-rentmeester, maar de zaak werd geseponeerd omdat het bewijs niet overtuigend genoeg werd geacht."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat sprake is van onzorgvuldige berichtgeving door alle verweerders. Weliswaar is in vrijwel alle publicaties vermeld dat klager eervol ontslag heeft gekregen, maar de teneur van de artikelen is een andere. Terwijl de zaak geseponeerd was en er derhalve onvoldoende aanwijzing van schuld en geen wettig en overtuigend bewijs was, hebben verweerders de kwestie uitgebreid uit de doeken gedaan alsof er geen twijfel aan zijn schuld bestond. Klager vindt de berichtgeving eenzijdig en stelt dat door verweerders ten onrechte geen wederhoor is toegepast. Hij was weliswaar op 14 en 15 september 2000 wegens vakantie afwezig, maar zijn zoon was thuis en heeft klager meegedeeld dat alleen De Dordtenaar een poging heeft gedaan hem te bereiken. Men had hem desgewenst via de mobiele telefoon, waarvan zijn zoon het nummer had, kunnen spreken.
Klager merkt op dat hij, naar aanleiding van de gewraakte teletekstpagina van TV Rijnmond, op 16 september 2000 met Jacco van Giessen van deze omroep heeft gesproken. Hij heeft deze gewezen op de eenzijdigheid van de berichtgeving, nu niets vermeld was over een voor klager gunstig rapport van de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland en over het door het openbaar ministerie genomen besluit de zaak te seponeren. Volgens klager is hem door Van Giessen beloofd dat de pagina binnen een uur van het scherm zou worden verwijderd, hetgeen echter niet is gebeurd.
Dat het Rotterdams Dagblad klager een maand na dato heeft aangeboden met een weerwoord in de krant te komen was voor hem te laat: hij had er geen behoefte aan de kwestie op dat moment nogmaals op te rakelen.
In De Havenloods heeft klager op 28 september 2000, een week na het bericht van 21 september, zijn verhaal kunnen doen. Desondanks verwijt hij De Havenloods de inhoud van het artikel van 21 september, dat zonder wederhoor tot stand is gekomen.

In reactie op de klacht stelt TV Rijnmond het gewraakte bericht van 16 september 2000 niet te kennen. Haar eerste publicatie over klager dateert van 20 september 2000 en betrof het vertrek van klager uit de gemeenteraad. Aan de kwestie is voorts nog kort gerefereerd in berichten van 23 september en 2 oktober 2000. Op de teletekstpagina van 20 september is vermeld dat klager eervol is ontslagen nadat hij gefraudeerd "zou hebben", terwijl ook is opgemerkt dat hij van plan was zijn ontslag aan te vechten. De door klager genoemde Van Giessen is niet in dienst bij TV Rijnmond, maar werkt voor Radio Rijnmond en kan niet namens TV Rijnmond hebben gesproken.

Het Rotterdams Dagblad stelt niet meer te hebben gedaan dan het zorgvuldig weergeven van de feiten. Zij beschikte over een kopie van de ontslagbrief, waarin onder "duiding van de feiten" vermeld was dat klager de vermeende afspraak met de aannemer gemaakt had. Ook heeft de dijkgraaf het Rotterdams Dagblad expliciet bevestigd dat het om fraude ging. Van de dijkgraaf had het Rotterdams Dagblad vernomen dat klager ten tijde van de publicatie met vakantie was en dus niet voor commentaar bereikbaar. Zij heeft daarop geprobeerd de advocaat van klager te spreken, echter tevergeefs. Enkele dagen later heeft klager zelf wel een verslaggever te woord gestaan, maar hij wilde niet in de krant geciteerd worden. Hij verwees naar een woordvoerder, die zich echter niet over de kwestie wilde uitlaten. Een in oktober 2000 - na het indienen van de klacht - gedaan aanbod om met een weerwoord in de krant te komen is door klager afgeslagen.

De Dordtenaar wijst in haar reactie erop dat zij het afgelopen jaar veel aandacht heeft geschonken aan het conflict tussen klager en zijn werkgever, waarbij voortdurend wederhoor is toegepast. Op 29 juli is een interview met hem gepubliceerd naar aanleiding van het sepot en ook op 15 september 2000 is genuanceerd over de kwestie bericht. In het artikel van 20 september, dat een ander onderwerp had, had ten aanzien van klager wellicht beter "vermeende fraude" kunnen worden vermeld, maar het gebruik van het woord "fraude" komt voort uit de op 14 september tijdens de persconferentie door het waterschap gebruikte bewoordingen.

De Havenloods stelt het artikel van 21 september 2000 te hebben geschreven naar aanleiding van het persbericht van 14 september en de persconferentie van 15 september. De Havenloods komt eens per week uit en de deadline ligt op dinsdag 19.00 uur. Haar medewerkster heeft geprobeerd een reactie van klager te verkrijgen, maar heeft van de CDA-fractie vernomen dat klager met vakantie was en pas na dinsdag in een brief uitleg zou geven. Toen klager op woensdag 20 september belde om te vragen of men van plan was over zijn ontslag te schrijven, was de deadline reeds verstreken en het artikel derhalve definitief. Wel is toen het contact gelegd dat heeft geresulteerd in het artikel van 28 september. Dat klager zelf belde wil overigens niet zeggen dat men hem anders niet benaderd zou hebben.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hoewel de officier van justitie de zaak tegen klager heeft geseponeerd bij gebrek aan bewijs, heeft het waterschap op de persconferentie van 15 september 2000 meegedeeld dat klager werd ontslagen wegens fraude. Ook uit de inhoud van de ter zitting geciteerde ontslagbrief van het waterschap aan klager, blijkt dat het bestuur van het waterschap ervan uitging dat sprake was van fraude. De Raad stelt voorop dat een journalist in beginsel mag opschrijven wat hij op een dergelijke persconferentie hoort. Wel wordt, in een geval als hier aan de orde, naar journalistieke maatstaven niet juist gehandeld indien slechts de lezing van één van beide partijen wordt weergegeven zonder dat op een of andere wijze blijkt dat daar een andere lezing tegenover staat. Een journalist kan dat bijvoorbeeld laten blijken door verslag te doen van toegepast wederhoor, of door voor een strikt zakelijke berichtgeving te kiezen, in de inhoudelijke beschrijving afstand van het verhaal te nemen en te laten blijken dat dit slechts de lezing van één van beide partijen betreft.

Bezien in het licht van deze beschouwingen komt de Raad tot de volgende beoordelingen.

De Dordtenaar heeft over het algemeen correct over de kwestie bericht. Op 29 juli 2000 is een uitgebreid interview met klager gepubliceerd. Alleen in het artikel van 20 september 2000, dat over een ander onderwerp ging, staat in de enige zin die klager betreft "fraude" vermeld in plaats van het door klager bepleite "vermeende fraude". Gegeven de gehele berichtgeving heeft De Dordtenaar daarmee niet onzorgvuldig gehandeld.

De Havenloods is afgegaan op de in de persconferentie gedane mededelingen. Zij wilde klager om wederhoor vragen, maar vernam van de CDA-fractie dat hij met vakantie was. Toen hij terug was en zijn verhaal kon doen, is met klager gesproken. Dit heeft geresulteerd in het artikel van 28 september 2000 waarin het weerwoord van klager is vervat. Ook De Havenloods heeft aldus niet onzorgvuldig gehandeld.

Het Rotterdams Dagblad is eveneens afgegaan op de in de persconferentie gedane mededelingen en op de inhoud van de in haar bezit zijnde ontslagbrief. De verslaggeefster had van de dijkgraaf vernomen dat klager met vakantie en dus niet bereikbaar was, waarop zij (tevergeefs) geprobeerd heeft de advocaat van klager te bereiken. Zij heeft klager nadien - zij het in een laat stadium - nog de kans geboden zijn verhaal hier tegenover te stellen. Gelet op al deze omstandigheden gaat de handelwijze van het Rotterdams Dagblad de grenzen van hetgeen naar journalistieke maatstaven aanvaardbaar is, niet te buiten.

Anders dan voornoemde media heeft De Telegraaf geen enkele poging gedaan de lezing van het waterschap te relativeren, daarvan afstand te houden of het verhaal van klager daartegenover te stellen. Er is geen poging gedaan wederhoor toe te passen, terwijl bovendien De Telegraaf de term "sjoemelen" op eigen gezag introduceert. Louter de mededeling dat de officier van justitie de zaak tegen klager had geseponeerd stelt hier, gegeven de gehele teneur van het artikel, onvoldoende tegenover. De Telegraaf heeft aldus de grenzen overschreden van hetgeen naar journalistieke maatstaven aanvaardbaar is.

Ten aanzien van de teletekstpagina van TV Rijnmond tot slot moet het verweer van TV Rijnmond dat op 16 september 2000 geen pagina met betrekking tot klager is uitgezonden, als ongeloofwaardig worden gepasseerd. Klager heeft een van zijn TV-scherm genomen foto van de desbetreffende teletekstpagina overgelegd, welke de klacht ondersteunt. TV Rijnmond heeft op de toezending van een kopie van die foto niet meer gereageerd.
Inhoudelijk geldt ook hier dat geen poging is gedaan de lezing van het waterschap te relativeren, daarvan afstand te houden of het verhaal van klager daartegenover te stellen. Er is geen kenbare poging gedaan wederhoor toe te passen. Ook TV Rijnmond heeft aldus de grenzen overschreden van hetgeen naar journalistieke maatstaven aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht tegen De Telegraaf en TV Rijnmond gegrond en de klacht tegen De Dordtenaar, De Havenloods en het Rotterdams Dagblad ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Rotterdams Dagblad, De Dordtenaar, De Havenloods en DeTelegraaf, c.q. aan de uitspraak aandacht te besteden op de teletekstpagina's van TV Rijnmond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 maart 2001 door mr. D. Allewijn, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, prof. mr. W.D.H. Asser en mw. drs. J.W.M. Kok, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2001-06