2001/53 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

L. Nix, H. Chergui en A. Krieger

tegen

P. Frentrop en de hoofdredacteur van HP/De Tijd

Bij brief van 15 oktober 2001 met twee bijlagen hebben L. Nix en H. Chergui te Amsterdam en A. Krieger te Diemen (klagers) een klacht ingediend tegen P. Frentrop en de hoofdredacteur van HP/De Tijd (verder gezamenlijk te noemen: wederpartij).

De Raad heeft de zaak buiten aanwezigheid van partijen behandeld op 6 november 2001.

DE FEITEN

Op 5 oktober 2001 is in HP/De Tijd een artikel van de hand van Frentrop verschenen onder de kop "Er is iets mis met de islam". De intro van het artikel luidt:
"De aanslagen op het WTC, in het spitsuur gepleegd, hadden als praktisch doel zoveel mogelijk mensen te doden. De boodschap van de aanvallers luidde: God staat aan onze kant. Mensenlevens tellen niet. Wie niet gehoorzaamt, sterft. Het is de vraag of de grimmige regels van de islam niet te weinig respect voor een mensenleven aan de dag leggen. Een vraag die nu gesteld mag - en móet - worden."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers betogen dat het artikel, anders dan erin wordt gesteld, in feite aanzet tot een negatieve, discriminerende houding tegenover alles wat islamitisch is. Zo wordt opgeroepen tot het maken van ongerechtvaardigd onderscheid tussen mensen op grond van hun godsdienst. Daarmee komt, aldus klagers, de journalistieke verantwoordelijkheid in het geding. Frentrop bevestigt volgens hen met zijn artikel bij niet-islamitische Nederlanders bestaande vooroordelen en wakkert haatgevoelens aan, terwijl bij hem klaarblijkelijk iedere kennis over de islam ontbreekt. Verder wordt de hoofdredacteur van HP/De Tijd verweten dat het artikel is gepubliceerd in de rubriek 'achtergrond', daarmee pretenderend dat het om een dieptebeschouwing gaat. Voorts stellen klagers dat de titel van het artikel breed wordt uitgedragen op de omslag van het nummer van 5 oktober 2001, waarmee hij doet voorkomen alsof hij het artikel naar inhoud en strekking onderschrijft.
Ter zake van hun ontvankelijkheid stellen klagers dat hun belang bij een oordeel van de Raad erin is gelegen dat de verhouding tussen moslims en niet-moslims in Nederland door het artikel onnodig op scherp wordt gesteld. Het artikel richt zich tot niet-islamitische Nederlanders, die wat hun vooroordelen en haatgevoelens betreft op hun wenken worden bediend. De noodzakelijke dialoog tussen moslims en niet-moslims is daarmee niet gebaat. Daarmee is hun rechtstreeks belang gegeven, aldus klagers.

De wederpartij heeft niet op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad bepaalt dat een klaagschrift moet worden ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt (vgl. onder meer: Broekmans tegen NRC en De Leeuw, RvdJ 2001/34; Roovers tegen Bosboom, Hoving en PZC, RvdJ 2001/15; Hartman tegen Doornbos, RvdJ 2001/11). Gesteld noch gebleken is dat zich een zodanige situatie hier voordoet.

BESLISSING

Klagers zijn in hun klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt de wederpartij deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 december 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-53