2001/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Huibers

tegen

P. Hemelrijk (Algemeen Dagblad)

Bij brieven van 30 juni met bijlage en 10 juli 2000 heeft M. Huibers (klager) een klacht ingediend tegen P. Hemelrijk (verweerster). Hierop heeft verweerster gereageerd in een brief van 5 september 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2000. Klager is daar verschenen, vergezeld van W.J. Martens, hoofd van de afdeling Individuele Hulpverlening van de Koninklijke Landmacht. Verweerster is verschenen, vergezeld van P.J.F. de Jonge, plaatsvervangend hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad.

Naar aanleiding van zijn beraadslaging heeft de Raad in een brief van 24 november 2000 aan verweerster enkele vragen gesteld, die door haar zijn beantwoord bij faxbericht van 2 januari 2001. Tevens is bij brief van 24 november 2000 aan P.J.F. de Jonge verzocht om toezending van een aantal bescheiden. Ten slotte is namens klager op deze stukken gereageerd bij brief van 16 januari 2001.

DE FEITEN

Op 7 juni 2000 is in het Algemeen Dagblad een column van de hand van verweerster verschenen onder de kop "Fanfare". Deze column over het optreden van Dutchbat-soldaten in voormalig Joegoslavië bevat onder meer de volgende passages:
* "Want de medicijnen, de artsen en de bedden moesten zo nodig vrijgehouden worden voor de eigen mensen (van wie er uiteraard niet eentje een haar is gekrenkt)."
* "Vervolgens heeft de Dutchbat-leiding Mladic bereidwillig aan bussen geholpen om 7000 moslimmannen voor een nekschot af te voeren naar het stadion van Bratunac."
* "En toen Karremans ten slotte van kameraad Mladic zijn schemerlamp in ontvangst had genomen ('Met dank voor de assistentie'), en met kameraad Mladic een glaasje slivovitsj had gedronken op de goede afloop ('Vooruit; nog ééntje dan'), toen zijn onze helden in hun tanks naar huis gereden. Dwars over de vluchtende burgers heen, want die versperden de weg naar moeders pappot."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager - destijds gewondenverzorger in Srebrenica - stelt dat aldus op onjuiste wijze en een badinerende toon feiten, fictie en meningen door elkaar zijn gehaald. Ten onrechte is in het artikel geen onderscheid gemaakt tussen verantwoordelijkheden van de burgerlijke en militaire autoriteiten. Dit onderscheid is essentieel voor een juiste weergave van de feiten en omstandigheden: de uitvoerende ondergeschikte Dutchbat-militairen moesten de hun opgedragen taken uitvoeren, daarbij gehandicapt door onvoldoende bewapening en een ontoereikend mandaat. Verweerster geeft blijk van haar negatieve oordeel over de politieke leiding en militaire bevelvoering, waarbij zij ten onrechte de ondergeschikte militairen te velde mede aansprakelijk stelt. In de passage "Want de medicijnen, de artsen en de bedden moesten zo nodig vrijgehouden worden voor de eigen mensen (van wie er uiteraard niet eentje een haar is gekrenkt)." wordt bijvoorbeeld de indruk gewekt dat de desbetreffende militairen, waaronder klager, hebben verhinderd dat aan de plaatselijke bevolking medische verzorging werd verleend, hoewel die voorhanden was. Deze onjuiste suggestie wordt op badinerende wijze onderstreept door het tussen haakjes geplaatste deel.
Klager benadrukt dat de klacht gericht is tegen de feitelijke onjuistheden in het artikel. Hij wijst erop dat het NIOD-onderzoek over de val van Srebrenica nog gaande is. Als de in het artikel vermelde gegevens juist zouden zijn, zou de klacht geen basis hebben. Dit kan echter pas na afloop van het onderzoek worden vastgesteld. De publicaties die door verweerster zijn aangehaald ter onderbouwing van haar standpunt, zijn later genuanceerd of verduidelijkt, dan wel ontkracht.
Verder is de column een aaneenschakeling van opzettelijk grievende beledigingen, aldus klager. Hierdoor is hij in zijn eer en goede naam geschaad en wordt zijn verwerking van traumatische herinneringen bemoeilijkt.

De feiten over het optreden van Dutchbat zijn volgens verweerster van algemene bekendheid. Zij verwijst ter zake naar diverse publicaties, waaronder een die op 27 november 1995 in het NRC Handelsblad is verschenen. Dit artikel bevat de passage: "Drie leden van de geneeskundige eenheid van Dutchbat hebben (...) laten vastleggen dat het verbod om moslims te helpen ook nog van kracht was nadat de vluchtelingen op 11 juli het kampement van Dutchbat overspoelden. (...) "Het is een schande dat je daar met 56 man medisch personeel aanwezig bent en niet mag helpen." Voorts stelt verweerster dat zij vrij is haar opinie te publiceren. Zij verwijst in dit verband naar haar twee eerdere columns over dit onderwerp, die op 28 november 1995 en op 2 januari 1996 in het Algemeen Dagblad zijn verschenen. Ten slotte wijst verweerster erop dat het Algemeen Dagblad naar aanleiding van haar column diverse ingezonden brieven, waaronder een brief van klager, heeft geplaatst.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de lijn van eerdere uitspraken overweegt de Raad dat aan een columnist de vrijheid toekomt om een persoonlijk oordeel over nieuwsfeiten of andere zaken te geven. Overdrijving en eenzijdige belichting behoren tot de gebruikelijke middelen van de columnist en zijn als zodanig niet ontoelaatbaar (zie onder meer: Bouwvereniging St. Willibrordus tegen Ehpimenco, RvdJ 1994/5 en Douwes tegen het Limburgs Dagblad en Brun, RvdJ 1999/38).
De Raad kan zich voorstellen dat klager de gewraakte column als kwetsend heeft ervaren, maar stelt vast dat de tekst zich niet keert tegen hem persoonlijk. Verweerster laat zich in de column laatdunkend uit over Dutchbat in het algemeen en niet over met name genoemde personen.
Voorts overweegt de Raad dat in een geval zoals dit, waarin de feiten (nog) niet onomstotelijk vaststaan, een columnist de vrijheid heeft om over die feiten te speculeren. Het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie zal mogelijk te zijner tijd duidelijkheid verschaffen. Daarop hoefde verweerster niet te wachten. Bovendien heeft verweerster eerdere publicaties overgelegd, die de column enige feitelijke ondersteuning bieden.
Alles in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerster met de gechargeerde en bewust eenzijdige wijze waarop zij in haar column aan het optreden van Dutchbat aandacht heeft besteed, geen grenzen heeft overschreden van wat in die context toelaatbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 maart 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, M.J. Kes en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-05