2001/49 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Milgram-Weinreb

tegen

de hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad

Bij brief van 3 juni 2001 met vijf bijlagen heeft H. Milgram-Weinreb te Antwerpen (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad (verweerder). Hierop heeft F. Smits, hoofdredacteur, gereageerd bij brief van 11 juli 2001 met vier bijlagen.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2001 in aanwezigheid van klaagster. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

In het najaar van 2000 en in februari 2001 is in het Historisch Nieuwsblad een aantal artikelen verschenen, waarin de zogeheten Weinreb-affaire werd besproken. Naar aanleiding van deze artikelen over haar vader heeft klaagster op 22 februari 2001 aan verweerder een ingezonden brief gestuurd. In haar begeleidende brief schrijft klaagster:
"Ik zie dat U zich het recht voorbehoudt brieven in te korten. Mag ik U dringend verzoeken dat in dit geval niet te doen. Mocht dat U onmogelijk zijn, stuurt U mij het stuk dan a.u.b. terug, dan moet het maar op een andere manier."
Tussen klaagster en redactrice S. Haasnoot is vervolgens contact geweest over het inkorten van klaagsters brief. De gewijzigde tekst is vooraf door Haasnoot aan klaagster toegestuurd. Die versie heeft klaagster geaccordeerd. Vervolgens is de brief gepubliceerd in het Historisch Nieuwsblad van april 2001. Uit de geaccordeerde versie is de volgende zinsnede weggelaten:
"...(is het u overigens bekend dat Aad Nuis snel na het verschijnen van dat rapport (het Weinreb-rapport), en René Marres vorig jaar, al die zogenaamde verraadgevallen hebben onderzocht, geanalyseerd en met succes hebben ontzenuwd?)..."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat verweerder aldus de afspraken omtrent de plaatsing van haar ingezonden brief niet is nagekomen. Na publicatie heeft zij hierover contact gehad met verweerder. Deze deelde mee dat hij het recht had om de tekst in te korten en hij wees een verzoek om het weggelaten stuk alsnog te plaatsen van de hand. Op verdere schriftelijke verzoeken heeft verweerder niet gereageerd. Klaagster betoogt dat verweerder op onzorgvuldige wijze journalistiek heeft bedreven. Zij voelt zich als dochter van wijlen Fryderyk Weinreb in haar belangen geschaad.

Verweerder stelt voorop dat hij niet verplicht was om de brief van klaagster te plaatsen, aangezien zij in de artikelen niet is genoemd. De redactie besloot de brief te plaatsen om de lezers te laten zien hoe in het 'Weinrebkamp' over de affaire wordt gedacht. Om de brief voor de lezer begrijpelijk te maken, moest deze worden geredigeerd en ingekort. Dat heeft Haasnoot in overleg met klaagster gedaan. De avond voor de dag waarop het blad naar de drukker ging las verweerder de brief voor het eerst. Hij trof in de brief een onleesbare passage aan, die hij vervolgens heeft aangepast zonder te tornen aan de inhoud, op een punt na. De geschrapte zinsnede betrof een terzijde die in het licht van de discussie in het Historisch Nieuwsblad onbegrijpelijk was, aldus verweerder. Dit terzijde zou alleen gerechtvaardigd zijn als er een weerlegging met argumenten volgde van de stellingen van Weinreb-specialiste Regina Grüter, hetgeen niet het geval was.
Ten slotte stelt verweerder dat hij niet op de hoogte was van het feit dat klaagster geen inkortingen wenste. Als zij niet akkoord was gegaan met de door hem aangebrachte wijziging, was de brief niet geplaatst.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft de redactie in beginsel de vrijheid ingezonden brieven in te korten en te redigeren, indien daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de brief (vgl. onder meer: Pels tegen de Volkskrant, RvdJ 2001/40 en Habets tegen De Gelderlander, RvdJ 2000/71). Een en ander neemt niet weg dat gemaakte afspraken met de schrijver van een ingezonden brief nagekomen moeten worden.
In dit geval heeft Haasnoot de brief in overleg met klaagster gewijzigd. De tekst is vervolgens ter goedkeuring aan klaagster toegestuurd. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt en is klaagster ook niet meegedeeld dat de brief aan verweerder ter goedkeuring zou worden voorgelegd. Klaagster mocht er dan ook op vertrouwen dat de door haar geaccordeerde tekst van de ingezonden brief ongewijzigd zou worden gepubliceerd (vgl. Oltmans tegen Hagen en De Journalist, RvdJ 1997/27). Door het schrappen van de bewuste tekst is dat vertrouwen beschaamd. Daarmee heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, aanvaardbaar is. Dat het niet-nakomen van de afspraak met klaagster, zoals verweerder stelt, het gevolg is van een gebrekkige communicatie tussen hem en zijn medewerkster Haasnoot, moet hem toegerekend worden.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Historisch Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 december 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-49