2001/45 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Kamermans

tegen

N. Poolmans en de hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad

Bij brieven van 1 juni 2001 met drie bijlagen en van 14 juni 2001 met twee bijlagen heeft J. Kamermans te Maastricht (klaagster) een klacht ingediend tegen N. Poolmans en de hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad (verweerders). Hierop heeft P. Stiekema, plaatsvervangend hoofdredacteur, mede namens voornoemde Poolmans gereageerd bij brief van 19 juni 2001 met vier bijlagen. Klaagster heeft de klacht nog nader toegelicht bij brieven van 2 augustus 2001 met een bijlage en van 20 augustus 2001.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2001. Klaagster is daar verschenen, verweerders zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op 20 februari 2001 is in het Limburgs Dagblad een artikel van de hand van Poolmans verschenen met de kop "Burenruzie in Nazareth eindigt voor kantonrechter. 'Ik zou mijn hond nooit meer terugzien'". Het artikel, een verslag van een rechtszaak tussen klaagster en haar buurvrouw, bevat onder meer de volgende passage:
"Een petitie met enkele tientallen handtekeningen gaf aan dat de vrouw (klaagster) in de buurt niet meer gewenst is. Veel buurtbewoners waren trouwens naar de zitting gekomen om hun krabbel van mondelinge toelichting te voorzien. De 63-jarige buurtgenote was zich echter van geen kwaad bewust."
Bij faxbericht van 20 februari 2001 heeft klaagster haar bezwaren tegen het artikel aan verweerders kenbaar gemaakt en om rectificatie verzocht.

Vervolgens is op 21 maart 2001 in het Limburgs Dagblad een artikel gepubliceerd met de kop "Maastrichtse laaiend op advocaat". Dit artikel bevat de passage:
"Om zijn eis kracht bij te zetten, overhandigde de rechtbank een lijst met 62 handtekeningen van buurtbewoners. In de petitie stond vermeld dat het 'vriendelijke gezin D. de minste problemen in de buurt veroorzaken' en 'wij hopen dat het gezin in de wijk kan blijven wonen.' K. meent dat de lijst onder valse voorwendselen tot stand is gekomen. Volgens de Maastrichtse staan namelijk niet alleen buurtbewoners op de lijst. Sommige mensen die hun krabbel hebben gezet, wonen aan de andere kant van de stad. Bovendien is K. van opvatting dat de petitie niets met haar te maken heeft, omdat haar naam nergens wordt genoemd.(...) K. wil dat de Orde van Advocaten de rechtmatigheid van de door advocaat Peters gevolgde procedure naloopt."

Nadien zijn nog twee artikelen over de kwestie in het Limburgs Dagblad verschenen, op 10 april 2001 onder de kop "Rechter: ruziƫnde buurvrouwen kinderachtig" en op 26 april 2001 onder de kop "Eisen ruziƫnde buurvrouw Maastricht niet ingewilligd - Geen contactverbod".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in het artikel van 20 februari 2001 ten onrechte is vermeld dat zij blijkens 'een petitie met enkele tientallen handtekeningen in de buurt niet meer gewenst' zou zijn. Deze bewering is uiterst opruiend en dient door verweerders te worden gecorrigeerd, aldus klaagster. De daardoor gewekte verkeerde indruk over haar is niet weggenomen door het artikel van 21 maart 2001, aangezien daarin niet is vermeld dat het een rectificatie betrof.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat Poolmans op 19 februari 2001 bij de behandeling van de rechtszaak tussen klaagster en haar buurvrouw aanwezig is geweest. Tijdens de zitting presenteerde de advocaat van klaagsters buurvrouw een handtekeningenlijst van buurtbewoners die zich volgens hem tegen de aanwezigheid van klaagster in de buurt verzetten. De lijst werd geproduceerd om de eis, het vertrek van klaagster uit de buurt, kracht bij te zetten. Overigens was een twintigtal omwonenden naar de rechtbank gekomen om te laten weten, waarom zij de aanwezigheid van klaagster in de buurt niet op prijs stelden. Verder wijzen verweerders erop dat klaagster de lijst bij haar klacht heeft gevoegd, en dat deze dus wel degelijk bestaat.
Maandag 26 februari 2001 ontving Poolmans het faxbericht van klaagster van 20 februari 2001. Daarop heeft Poolmans aan klaagster uitgelegd dat in het artikel de blote feiten van de rechtszaak zijn vermeld en dat het artikel niet zou worden gerectificeerd. Vervolgens liet klaagster aan Poolmans weten dat zij een klacht tegen de advocaat zou indien. Hierop heeft Poolmans met klaagsters afgesproken dat zij de zaak verder zou volgen en dat klaagster, als ze de klacht had ingediend, in de gelegenheid zou worden gesteld haar standpunt naar voren te brengen. Daar heeft klaagster, aldus verweerders, mee ingestemd. In het artikel van 20 maart 2001 heeft Poolmans dan ook aandacht besteed aan de klacht tegen de advocaat. Tijdens een telefoongesprek liet klaagster weten dat ze zich in het artikel van 20 maart 2001 kon vinden. Sindsdien hebben Poolmans en klaagster nog diverse malen contact gehad. De gevoerde gesprekken werden door Poolmans als positief ervaren. Klaagster heeft ook nimmer meer gerefereerd aan haar verzoek tot rectificatie.
Het ontgaat verweerders wat klaagster wil bereiken met de onderhavige klacht. De feiten zoals in het artikel van 20 februari 2001 beschreven, zijn zo in de rechtbank gepresenteerd. Verweerders betogen dat de woorden en daden van de advocaat en sommige omwonenden in de rechtszaal niet hun verantwoordelijkheid zijn.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Tussen partijen staat niet ter discussie dat in het artikel van 20 februari 2001 ten onrechte is vermeld dat klaagster blijkens een petitie met enkele tientallen handtekeningen in de buurt niet meer gewenst zou zijn. De Raad is van oordeel dat deze omissie in het artikel van 21 maart 2001 voldoende duidelijk is rechtgezet. In dat artikel is enerzijds de zin opgenomen "In de petitie stond vermeld dat het 'vriendelijke gezin D. de minste problemen in de buurt veroorzaken' en 'wij hopen dat het gezin in de wijk kan blijven wonen.'" en is anderzijds ruim aandacht besteed aan de visie van klaagster, die aan verweerders heeft meegedeeld tegen de inhoud van het artikel van 21 maart 2001 geen bezwaar te hebben. Dat in het artikel van 21 maart 2001 niet woordelijk is vermeld dat daarin het artikel van 20 februari 2001 wordt gerectificeerd, doet - anders dan klaagster betoogt - aan voornoemd oordeel van de Raad niet af.
Gezien het bovenstaande, komt de Raad tot de conclusie dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Limburgs Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 december 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mr. A.H. Schmeink en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-45