2001/44 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

MediRisk b.a.

tegen

P. Hovius (Algemeen Dagblad)

Bij brief van 25 april 2001 met zes bijlagen is namens MediRisk b.a. te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen P. Hovius (verweerder). Hierop heeft verweerder gereageerd bij brief van 17 mei 2001 met een bijlage. O. Garschagen, hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, heeft bij brief van 17 mei 2001 met een bijlage eveneens op de klacht gereageerd.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2001. Namens klaagster is daar haar directeur mr. H.P. Henschen verschenen, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is verschenen, vergezeld van P.J.F. de Jonge, plaatsvervangend hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad.

DE FEITEN

Op 1 februari 2001 is in het Algemeen Dagblad in de rubriek 'Uw goed recht' een artikel van de hand van Hovius verschenen onder de kop "Zaak-Kloonen nog niet opgelost". In dit artikel wordt bericht over een kwestie tussen J. Kloonen enerzijds en verzekeraar MediRisk en schadebureau Assuraad anderzijds. In het artikel, dat verscheen als kader bij een groter verhaal inzake een letselschadezaak, werd bericht over de stand van zaken met betrekking tot het dossier-Kloonen, waarover betrokkene eerder uitvoeriger heeft gepubliceerd. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
"Een jaar geleden schreef Uw Goed Recht over een soortgelijke affaire. Over J. Kloonen die in 1996 gehandicapt raakte na een medische fout. Namens verzekeraar MediRisk in Utrecht betrad het in Ermelo gevestigde schadebureau Assuraad het strijdtoneel. Ook hier sleept de kwestie zich nog voort. In maart 2000 verwachtten MediRisk en Assuraad dat alles 'binnen twee maanden' zou zijn geregeld. Niets van dat alles."
en
"MediRisk heeft zich ook, in strijd met eerdere toezeggingen, nog niet aangemeld bij het Klachteninstituut Verzekeringen, waardoor het voor Kloonen onmogelijk is tegen deze verzekeraar een klachtenprocedure te beginnen.
MediRisk en Assuraad maakten geen gebruik van de geboden gelegenheid commentaar te geven."

Voorafgaand aan de publicatie heeft Hovius zich op 30 januari 2001 tot Henschen gewend. Het desbetreffende faxbericht luidt:
"In de krant van aanstaande donderdag komen wij in het kort terug op de zaak Kloonen. Er wordt gemeld dat de kwestie nog steeds speelt en de heer Kloonen geeft daar citerend zijn mening over. Ook wordt gemeld dat MediRisk zich nog niet heeft aangemeld bij het Klachteninstituut Verzekeringen. Dit ondanks uw uitspraken van vorig jaar maart. Indien u dit wenst, kan MediRisk een korte reactie geven. Indien ik woensdag 31 januari 14.00 uur niets van u heb vernomen (...) neem ik aan dat u van de geboden gelegenheid geen gebruik wenst te maken."

Hierop heeft klaagster Hovius bij faxbericht van diezelfde dag meegedeeld dat Henschen niet aanwezig is en pas de volgende dag in de loop van de ochtend op kantoor wordt verwacht.
Vervolgens laat Henschen in een faxbericht van 31 januari 2001 aan Hovius weten dat hij de termijn om te reageren onredelijk kort vindt. Voorts verzoekt hij Hovius om inzage in de uitlatingen van Kloonen en om uitstel voor het geven van een reactie.
Hierop heeft Hovius per faxbericht van dezelfde dag aan Henschen bericht dat hij, voor de verzending van zijn faxbericht van 30 januari 2001, tevergeefs heeft getracht Henschen telefonisch te bereiken en dat van een te korte termijn voor het geven van een reactie naar zijn mening geen sprake is. Verder wijst Hovius het verzoek om inzage af en bericht hij dat de deadline van 14.00 uur voor het geven van een reactie wordt gehandhaafd.
Bij faxbericht van 31 januari 2001 heeft Henschen zijn bezwaren tegen de handelwijze van Hovius vervolgens kenbaar gemaakt aan de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad en deze verzocht de zaak recht te zetten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Allereerst stelt klaagster dat verweerder ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast, nu hij heeft geweigerd het te publiceren citaat van Kloonen vooraf ter kennisneming toe te sturen. Volgens klaagster kan slechts adequaat worden gereageerd, indien duidelijk is waarop een reactie wordt gevraagd.
Verder heeft verweerder ongeoorloofde tijdsdruk uitgeoefend door te eisen dat klaagster haar commentaar binnen 24 uur zou geven. Volgens klaagster moet het verweerder ruimschoots vóór 1 februari 2001 bekend zijn geweest dat het artikel zou worden geplaatst. Bovendien had verweerder zich moeten realiseren dat Henschen, door afspraken elders verhinderd, niet steeds beschikbaar zou zijn voor het geven van commentaar, hij de kwestie moest bestuderen en eventueel overleg moest voeren met de schaderegelaar.
Klaagster betoogt ten slotte dat in het artikel ten onrechte is vermeld dat zij zich in strijd met eerdere toezeggingen nog niet heeft aangemeld bij het Klachteninstituut Verzekeringen. Dergelijke toezeggingen zegt klaagster nooit te hebben gedaan. Verweerder heeft klaagster in een kwaad daglicht geplaatst, als zou zij door haar gedane toezeggingen niet honoreren.

Verweerder wijst allereerst op de voorgeschiedenis van het artikel. Op 13 april 2000 is in het Algemeen Dagblad een artikel gepubliceerd over de negatieve ervaringen van Kloonen met klaagster en Assuraad, gebaseerd op gesprekken met alle betrokken partijen. In het gesprek van verweerder met Henschen op 5 april 2000 kwam onder meer aan de orde, waarom MediRisk als enige verzekeraar van deze importantie niet is aangesloten bij het Klachteninstituut Verzekeringen. Volgens de aantekeningen van verweerder zou Henschen daarop hebben geantwoord: "Dat is een zaak van het bestuur. Ik zie geen reden waarom wij ons niet zouden aansluiten. Ik zal deze kwestie op de eerstkomende bestuursvergadering aan de orde stellen. Ik verwacht dat de aanmelding van MediRisk dan binnen drie maanden volgt."
Conform afspraak is voorafgaand aan de publicatie van 13 april 2000 de concepttekst, die de weerslag vormde van het gesprek met klaagster en Assuraad, ter fiattering aan hen toegezonden. Bijgevoegd was een vertrouwelijke concepttekst van het gesprek met Kloonen.

Spoedig daarna bleek verweerder dat klaagster en Assuraad, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, die vertrouwelijkheid hadden geschonden.
In verband met een ander letselschadeverhaal, waarbij klager niet was betrokken, sprak verweerder de advocaat van Kloonen en informeerde hij naar de stand van zaken in die kwestie. Toen bleek dat in die zaak geen schot zat, besloot verweerder daarover in een kort bericht melding te maken.
Vanzelfsprekend heeft ook klaagster de kans gekregen een reactie te geven. Gelet op de aard en omvang van het bericht, kon dat kort zijn. Op 30 januari 2001 zocht verweerder eerst contact met Assuraad. Aangezien die niet wilde reageren en hem naar MediRisk verwees, nam hij vervolgens telefonisch contact op met klaagster. Aangezien Henschen niet aanwezig was, stuurde verweerder in de middag van 30 januari 2001 een faxbericht, waarin hij kort de beoogde strekking van het bericht aangaf. Gezien het tijdstip waarop het artikel gereed moest zijn, moest hij de volgende dag vóór 14.00 uur een eventuele reactie hebben ontvangen. Gelet op de aanwezig kennis van de zaak had hij geen aanleiding om te veronderstellen dat klaagster tot het geven daarvan niet in staat zou zijn. Het ging om een kort statement in een aan alle partijen bekende kwestie, aldus verweerder. In plaats van een kort telefoontje waarin dit kon worden gegeven, koos klaagster ervoor om op 31 januari 2001 een faxbericht te sturen, zonder inhoudelijke reactie. Toen een dergelijke reactie uitbleef, heeft verweerder daarvan melding gemaakt in het artikel. Verweerder wijst erop dat de ombudsman van het Algemeen Dagblad in dit verband bij brief van 8 februari 2001 aan klaagster te kennen heeft gegeven van mening te zijn dat aan het principe van hoor en wederhoor correct gevolg is gegeven.
Verder betoogt verweerder dat er geen verplichting bestaat om een concepttekst ter inzage toe te sturen, indien om commentaar wordt gevraagd. De strekking van het te publiceren bericht is aan klaagster meegedeeld en zij moest in staat worden geacht daarop inhoudelijk te reageren. Als er al tijd verloren is gegaan, dan ligt de oorzaak daarvan bij klaagster zelf. De directeur van klaagster wekte de indruk zich onbereikbaar te houden en heeft ook geen telefonisch contact met verweerder opgenomen. Bovendien moet een professionele organisatie in staat zijn om buiten het weekend binnen 24 uur te reageren. Gelet op de aard en omvang van het bericht, is die geboden termijn naar journalistieke maatstaven ruimschoots voldoende.
Verweerder stelt voorts dat de mededeling van Henschen in het gesprek van 5 april 2000 als een toezegging van klaagster moet worden beschouwd.
Volgens verweerder heeft klaagster zich steeds heeft laten kennen als een uiterst formele, weinig toegankelijke en niet coöperatieve partij. Klaagster tracht nu de consequenties van haar eigen handelen bij een ander op het bord te leggen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a. geen juiste toepassing van bieden van een mogelijkheid van wederhoor;
b. toepassen van ongeoorloofde tijdsdruk;
c. vermelding van onjuistheden.

Ter zake van onderdeel a. stelt de Raad voorop dat de journalistieke verantwoordelijkheid niet meebrengt dat aan een betrokkene steeds vooraf inzage in de volledige concepttekst moet worden verleend, indien deze om een reactie wordt gevraagd (vgl. ook: Gravenborgh Groep tegen Groot en Algemeen Dagblad, RvdJ 2000/47). Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk te omschrijven, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht. In zijn faxbericht van 30 januari 2001 heeft verweerder aan klaagster kenbaar gemaakt, op welke punten klaagster kon reageren. Alle omstandigheden in aanmerking nemende, acht de Raad de daarbij door verweerder gegeven omschrijving van hetgeen waarop reactie wordt gevraagd voldoende duidelijk, zodat zij niet van oordeel is dat verweerder op dit punt in acht te nemen grenzen heeft overschreden.

Het stellen van een termijn van 24 uur om te reageren is voorts niet ongebruikelijk en in het algemeen niet ontoelaatbaar. Gelet op de aard en inhoud van de publicatie en nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, is de gestelde termijn dat in het onderhavige geval evenmin (vgl. Stoker tegen Groot, RvdJ 1999/76).

Ter zitting heeft klager nog een brief overgelegd van de directeur van Assuraad, waarin deze verklaart: "Naar aanleiding van uw verzoek bevestig ik u dat het niet juist is dat u bij gelegenheid van de bespreking met de heer Hovius op 5 april 2000 aan hebt gegeven dat u verwachtte dat MediRisk binnen drie maanden aangemeld zou worden bij het Klachteninstituut. Wel hebt u gezegd dat u de kwestie aan het Bestuur van MediRisk zou voorleggen." Derhalve kan worden vastgesteld dat Henschen in ieder geval destijds aan verweerder heeft meegedeeld dat hij de aanmelding van klaagster bij het Klachteninstituut met het bestuur zou bespreken. Het is niet onbegrijpelijk dat verweerder dit als een toezegging van de zijde van klaagster heeft opgevat. Ook dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mr. A.H. Schmeink en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-44