2001/43 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. H. van Katwijk (Assuraad B.V.)

tegen

P. Hovius en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 18 april 2001 met vier bijlagen heeft mr. H. van Katwijk te Ermelo (klager), zowel persoonlijk als in zijn hoedanigheid van directeur van Assuraad B.V., een klacht ingediend tegen P. Hovius en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerders). Hierop heeft voornoemde Hovius gereageerd bij brief van 17 mei 2001 met drie bijlagen, en O. Garschagen - hoofdredacteur - bij brief van dezelfde datum met een bijlage.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2001. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders zijn Hovius en P.J.F. de Jonge, plaatsvervangend hoofdredacteur, verschenen.

DE FEITEN

Op 1 februari 2001 is in het Algemeen Dagblad in de rubriek 'Uw goed recht' een artikel van de hand van Hovius verschenen onder de kop "Zaak-Kloonen nog niet opgelost". In het artikel, dat verscheen als kader bij een groter verhaal inzake een letselschadezaak, werd bericht over de stand van zaken met betrekking tot het dossier-Kloonen, waarover betrokkene eerder uitvoeriger heeft gepubliceerd. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
"Een jaar geleden schreef Uw Goed Recht over een soortgelijke affaire. Over J. Kloonen die in 1996 gehandicapt raakte na een medische fout. Namens verzekeraar MediRisk in Utrecht betrad het in Ermelo gevestigde schadebureau Assuraad het strijdtoneel. Ook hier sleept de kwestie zich nog voort. In maart 2000 verwachtten MediRisk en Assuraad dat alles 'binnen twee maanden' zou zijn geregeld. Niets van dat alles."
en
"Slachtoffer Kloonen nu: ,,We zijn nog geen stap verder. De houding van Assuraad is steeds meer verhard en agressiever geworden. Tekenend is bijvoorbeeld dat directeur Van Katwijk van Assuraad gesprekken op de band opneemt. Het zijn je reinste KGB-methoden, een verzekeraar onwaardig. Er heeft verder medisch onderzoek plaatsgehad, maar ik ben bang dat MediRisk en Assuraad uit zijn op een nog verdere vertraging om de schadeclaim zo laag mogelijk te laten uitvallen.""
Het slot van het artikel luidt:
"MediRisk en Assuraad maakten geen gebruik van de geboden gelegenheid commentaar te geven."

Voor de publicatie heeft Hovius zich op 30 januari 2001 telefonisch tot klager gewend met het verzoek om vooraf op het artikel te reageren. Hierop heeft klager bij faxbericht van 31 januari 2001 onder meer als volgt gereageerd:
"U liet mij weten dat de strekking van het kader - voor zover het Assuraad betreft - als volgt zou zijn:
De heer Kloonen zou iets melden over Assuraad. U wilt een van hem afkomstige uitspraak publiceren, welk citaat u echter niet letterlijk wilde verstrekken (...) In dat citaat komt in ieder geval aan de orde dat een gesprek op tape zou zijn vastgelegd, hetgeen door de heer Kloonen als onaangenaam zou zijn ervaren.
Naar aanleiding van dit punt kan ik u het volgende laten weten:
Assuraad heeft in deze zaak moeten ervaren dat naar haar overtuiging onjuiste mededelingen door mr. Sneep/de heer Kloonen zijn gedaan over de inhoud van een eerder gesprek. In ieder geval staat vast dat partijen over de inhoud van die eerdere bespreking op onderdelen van mening verschilden. Bij een volgende bespreking met mr. Sneep bleken - onaangekondigd - ook de heer en mevrouw Kloonen aanwezig te zijn. Om te voorkomen dat naderhand opnieuw misverstanden zouden kunnen ontstaan omtrent de inhoud van het gesprek, is voor aanvang van het gesprek gevraagd of de aanwezigen konden instemmen met het opnemen van het gesprek. Daar is vervolgens inderdaad mee ingestemd. (...)
Voor het overige dient u zich voor commentaar te wenden tot Medirisk (...)"

Naar aanleiding van de publicatie heeft klager zich bij brief van 16 februari 2001 tot de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad gewend en bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt. Deze brief bevat onder meer de volgende passage:
"... blijkt dat de heer Hovius in het geheel geen aandacht heeft geschonken aan het hem verstrekte commentaar. Ten onrechte wordt zelfs gesteld dat geen commentaar is gegeven."

Hierop heeft O. Garschagen gereageerd bij brief van 27 februari 2001, waarin hij onder andere schrijft:
"U stelt dat in de publicatie van 1 februari ten onrechte wordt gemeld dat u geen commentaar wilt geven. In uw brief van 31 januari aan de heer Hovius schrijft u: ,,(...) dient u zich voor commentaar te wenden tot Medirisk aangezien Medirisk in deze zaak het beleid bepaalt en niet wij." Dit lijkt mij niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Indien u - daartoe in de gelegenheid gesteld - geen commentaar wilt geven, doch naar een derde verwijst, is dat een keuze, waarvan u zelf de eventuele consequenties dient te dragen."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij Hovius in het telefoongesprek van 30 januari 2001 heeft verzocht om de tekst van het te publiceren artikel te zenden, zodat hij kon beoordelen waarop hij commentaar moest leveren. Aangezien Hovius dit verzoek afwees, heeft klager in zijn fax van 31 januari 2001 gereageerd op hetgeen Hovius hem aan de telefoon had verteld en alleen op hetgeen Assuraad en hem persoonlijk betrof. Volgens klager had het Hovius uit die reactie duidelijk moeten zijn dat voor de kennelijk door Kloonen gemaakte vergelijking tussen klagers werkzaamheden en 'KGB-methoden' geen grond bestond. Indien in alle openheid en met toelichting een gesprek wordt opgenomen, mag een dergelijke handelwijze niet als een 'KGB-methode' worden gekwalificeerd, aldus klager.
De vergelijking heeft hem diep getroffen en is ook voor Assuraad beschadigend. Assuraad moet immers op zorgvuldige en zuivere wijze omgaan met de belangen van slachtoffers van letselschade en die van haar opdrachtgevers. De publicatie van deze vergelijking is volgens klager derhalve onrechtmatig en onfatsoenlijk.

Bovendien is de mededeling in het artikel dat Assuraad geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om commentaar te geven feitelijk onjuist.
Verder stelt klager dat Garschagen in zijn brief van 27 februari 2001 onzorgvuldig heeft gereageerd, door uit het citaat uit klagers brief van 31 januari 2001 de woorden "Voor het overige" weg te laten. Daarmee suggereert Garschagen tegen beter weten in dat Assuraad geen commentaar wilde geven op hetgeen haar aanging.

Verweerders wijzen allereerst op de voorgeschiedenis van het artikel. Op 13 april 2000 hebben zij een artikel gepubliceerd over de negatieve ervaringen van Kloonen met Assuraad en MediRisk, dat was gebaseerd op gesprekken van Hovius met alle betrokkenen. Voorafgaand aan die publicatie is de weergave van het gesprek met Assuraad en MediRisk ter fiattering aan hen toegezonden, vergezeld van een vertrouwelijke concepttekst van het gesprek met Kloonen. Spoedig daarna bleek dat Assuraad en MediRisk gezamenlijk dan wel afzonderlijk die vertrouwelijkheid hadden geschonden. Naar aanleiding van het artikel van 13 april 2000 heeft Assuraad een klacht tegen Hovius ingediend bij de Ombudsman van het Algemeen Dagblad en een klacht tegen de advocaat van Kloonen bij de Raad van Discipline. Beide klachten zijn ongegrond verklaard.
In verband met een ander letselschade verhaal, waarbij klager niet was betrokken, sprak Hovius de advocaat van Kloonen en informeerde naar de stand van zaken in die kwestie. Toen aan Hovius bleek dat in die zaak geen schot zat, besloot hij daarover in een kort bericht melding te maken. Hovius zegt dat hij het vanzelfsprekend vindt dat ook Assuraad de kans zou krijgen een korte reactie te geven. Gelet op de aard en omvang van het bericht kon dat kort zijn.
Ingegeven door zijn ervaringen uit het verleden heeft Hovius geweigerd de concepttekst van het artikel voor de publicatie aan klager te doen toekomen. In het telefoongesprek van 30 januari 2001 heeft hij wel de globale inhoud van hetgeen hij had geschreven aan klager meegedeeld. Gelet op de bekendheid met de zaak moest klager in staat zijn een inhoudelijke reactie te geven. Klager liet Hovius echter weten dat hij niet inhoudelijk wenste te reageren en verwees Hovius voor commentaar naar MediRisk. Een dag later ontving Hovius nog wel een faxbericht van klager, die klaarblijkelijk als doel had een en ander op schrift vast te leggen. Aangezien klager in dat faxbericht niet inhoudelijk reageerde, maar slechts veel woorden wijdde aan een detail, bleef Hovius bij zijn conclusie dat klager niet ter zake wilde reageren.
Klager heeft zich laten kennen als een uiterst formele, weinig toegankelijke en niet coöperatieve partij. Klager tracht nu de consequenties van zijn eigen handelen bij een ander op het bord te leggen, aldus verweerders.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het citaat van Kloonen bevat een ernstig verwijt aan het adres van klager, in ieder geval voor zover hij diens werkzaamheden kwalificeert als 'KGB-methoden'. Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid houdt in het algemeen onder meer in het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders (vgl. onder meer Hensen-Verkaik tegen De Hoop Magazine, RvdJ 2001/13; Elias tegen Schoorl en de Volkskrant, RvdJ 2000/65; Martinair tegen Panorama, RvdJ 1999/64).
Gegeven de inhoud van klagers reactie, hadden verweerders het hiervoor bedoelde citaat dan ook niet mogen plaatsen zonder vermelding van de van klager verkregen reactie daarop. Anders dan verweerders stellen, betreft klagers reactie niet slechts een detail, maar heeft zij betrekking op een ernstige beschuldiging aan het adres van klager. Dat klagers reactie verweerders pas na de deadline zou hebben bereikt, hebben verweerders onvoldoende aannemelijk kunnen maken, zodat ook hierin geen argument kan worden gevonden om klagers reactie niet in het artikel op te nemen.

De klacht heeft voorts betrekking op de brief van Garschagen van 27 februari 2001. Deze correspondentie moet worden aangemerkt als een handelen van de hoofdredacteur in de uitoefening van zijn beroep en is derhalve een "journalistieke gedraging", als bedoeld in de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. De Raad is dan ook bevoegd over die brief te oordelen (zie ook: Willemsen tegen Köhler, RvdJ 2000/19).
Uit de stukken blijkt dat Garschagen klager in de brief bewust onvolledig heeft geciteerd. Met klager is de Raad van mening dat hierdoor ten onrechte de suggestie is gewekt dat klager c.q. Assuraad geen gebruik wilde maken van de geboden gelegenheid tot wederhoor.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mr. A.H. Schmeink en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-43