2001/41 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

D. Truijens

tegen

J. Former en de redactie van 'Ook dat nog' (KRO)

Bij brief van 28 maart 2001 met een bijlage heeft D. Truijens te Leiden (klager) een klacht ingediend tegen J. Former en de redactie van het KRO-televisieprogramma 'Ook dat nog' (verweerders). Hierop heeft M. Jonker-Schouten, eindredacteur van 'Ook dat nog', namens verweerders gereageerd in een brief van 10 mei 2001. Bij faxbericht van 6 september 2001 heeft klager nog nadere informatie aan de Raad verstrekt.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2001 buiten aanwezigheid van partijen. Ter zitting is een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 7 januari 2001 is een aflevering van het televisieprogramma 'Ook dat nog' uitgezonden (verder te noemen: de uitzending). In de uitzending is aandacht besteed aan klachten over het werk van de stichting Slachtoffers Wet Voorzieningen Gehandicapten (hierna: de stichting) en het optreden van klager als voorzitter van die stichting.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in de uitzending ongegronde en ongemotiveerde klachten zijn geuit, die bovendien niet zijn gericht tegen (het bestuur van) de stichting maar tegen hem persoonlijk. Volgens klager is hem geen gelegenheid tot wederhoor geboden en hebben verweerders zich gebaseerd op uitlatingen van ondeugdelijke bronnen, zoals voormalig bestuursleden van de stichting.
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerders eenzijdig en zonder degelijk onderzoek te werk zijn gegaan, waardoor hem zowel privé als zakelijk schade is toegebracht, aldus klager.

Verweerders stellen voorop dat de gewraakte uitzending een vervolg is op een aflevering van 'Ook dat nog' van 22 oktober 2000, waarin een aantal klachten werd behandeld over de naleving en invulling door gemeentes van de verplichtingen die verband houden met de Wet Voorzieningen Gehandicapten. Daarbij werd op zeer positieve wijze melding gemaakt van de doelstellingen van de stichting en de wijze waarop klager, als voorzitter van de stichting, de belangen behartigt van 'slachtoffers' van de bewuste wet. In die aflevering, waaraan klager alle medewerking heeft verleend, is klager meermalen genoemd als redder in nood.
Nadien werden verweerders gewezen op klachten over de stichting en over klager als voorzitter. Deze klachten - van 'slachtoffers', gemeentes, Stichting De Ombudsman en (ex-) bestuursleden van de stichting - waren zo ernstig dat verweerders het noodzakelijk vonden om op de aflevering van 22 oktober 2000 terug te komen.

Op basis van nader onderzoek is ten slotte de gewraakte uitzending van 7 januari 2001 tot stand gekomen. Daarin werd de kijker erop geattendeerd dat verweerders terugkwamen op een eerder ingenomen (positief) standpunt van oktober 2000. Ter verduidelijking werden in de uitzending klachten behandeld over de stichting en klager. De uitzending was corrigerend en waarschuwend van aard, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat klager ten tijde van de uitzending nog steeds als voorzitter van de stichting werkzaam was en dat het voor de volledigheid en juistheid van het item noodzakelijk was om in de uitzending klager niet los te zien van de stichting. Klager werd als voorzitter verantwoordelijk geacht voor de klachten over de werkzaamheden van de stichting. Er werd een feitelijke weergave gegeven van de bij verweerders bekende en door hen onderzochte klachten. Aangezien klager voorzitter was van de stichting is het logisch dat hij in de context van de uitzending als 'woordvoerder' van de stichting fungeert en als zodanig op satirische wijze, zoals bij de kijker bekend, werd neergezet door een acteur.
De stelling van klager, dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn visie op de klachten te geven, is onjuist. Een redacteur heeft diverse malen voor de uitzending telefonisch contact gehad met klager en de verschillende klachten met hem besproken. De bewuste opmerkingen van klager zijn dan ook, voor zover relevant, verwerkt in de uitzending. Een voorbeeld daarvan is dat er gemeld wordt dat een bepaalde factuur door klager is ingetrokken.
Verweerders concluderen dat zij gedegen onderzoek hebben verricht en conform de journalistieke waarden en normen hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek wordt voor de toepassing van deze statuten onder journalist onder anderen verstaan:
"degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard".
De gewraakte uitzending bevat zowel elementen van niet-journalistieke aard, zoals satire en amusement, als journalistieke elementen. In de uitzending overheerst het informatieve karakter en hebben de journalistieke elementen een zodanige invloed op de uitzending dat deze in zijn geheel als overwegend van journalistiek aard moet worden aangemerkt, zodat de Raad bevoegd is over de klacht te oordelen.
Ten overvloede overweegt de Raad dat dit oordeel niet noodzakelijkerwijs van toepassing is op andere uitzendingen van het programma 'Ook dat nog'.
(vgl. stichting Bond tegen het vloeken tegen 'Waskracht', RvdJ 2000/36)

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht spitst zich toe op het bezwaar van klager dat de uitzending niet op behoorlijk onderzoek berust en dat de jegens hem in de uitzending geuite klachten ongegrond en ongemotiveerd zijn. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft klager zijn mening over die klachten uiteengezet, echter zonder zijn standpunten nader te onderbouwen. Overigens zijn feitelijke onjuistheden gesteld noch gebleken. Er is derhalve geen grond voor de conclusie dat de uitzending op onvoldoende grondig onderzoek berust.

De stelling van verweerders, dat klager als voorzitter van de stichting niet los kan worden gezien van die stichting, alsmede de stelling, dat voorafgaand aan de uitzending contact is opgenomen met klager teneinde hem in de gelegenheid te stellen zijn visie op de klachten te geven, zijn door klager niet weersproken.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het televisieprogramma 'Ook dat nog'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 7 november 2001.
door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-41