2001/40 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. Pels

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 27 april 2001 met negen bijlagen heeft A. Pels te Den Haag (klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerder). Hierop heeft P. Broertjes, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 15 mei 2001 met een bijlage. Klager heeft zijn klacht nog nader toegelicht in een brief van 23 mei 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 31 maart 2001 is in de Volkskrant een artikel verschenen met de kop “’Ik heb spijt dat mijn vader zijn best heeft gedaan voor een verkeerd regime’ Máxima neemt afstand van bewind” over de verklaring van Máxima Zorreguieta, betreffende de rol van haar vader in het regime-Videla. Naar aanleiding van dit artikel heeft klager nog diezelfde dag aan verweerder de volgende ingezonden brief gestuurd:
“In een verkeerd regime. Máxima was nauwelijks uitgesproken of ze kon al ervaren dat journalisten-commentatoren soms geen objectief oor hebben. Ze werd direct al verkeerd geciteerd. Want een vader die niet deugt, zal in niemands ogen deugen, ook niet in die van zijn dochter. Zelfs de koppenmaker van De Volkskrant deed daar aan mee. Máxima heeft niet gezegd: “Ik heb spijt dat mijn vader zijn best heeft gedaan voor een verkeerd regime”, maar “…dat ik spijt heb dat hij zijn best gedaan heeft voor de landbouw in een verkeerd regime.” En dat is heel wat anders.”
Verweerder heeft op maandag 2 april 2001 deze ingezonden brief gepubliceerd, echter met weglating van de zin “Zelfs de koppenmaker van de Volkskrant deed daar aan mee”.
Klager heeft bij e-mail van 2 april 2001 hierover een oordeel gevraagd aan T. Klein, de ombudsman van de Volkskrant. Klein erkent in een e-mail van diezelfde datum dat de Volkskrant deze zin niet had moeten schrappen. Bij e-mail van 3 april 2001 aan Klein spreekt klager de verwachting uit dat de Volkskrant terugkomt op de door de Ombudsman erkende fout. Op 14 april 2001 besteedt Klein in zijn rubriek ‘de Ombudsman’ aandacht aan opmerkingen en klachten van lezers over de berichtgeving rond Máxima Zorreguieta, zonder daarbij klagers bezwaren te vermelden. Vervolgens verzoekt klager in een e-mail van 24 april 2001 aan Klein om de onjuiste publicatie van zijn ingezonden brief recht te zetten. Hierop reageert Klein bij e-mail van 27 april 2001 met de mededeling dat hij geen correcties kan afdwingen en geen toezeggingen kan doen op dit punt.
Ten slotte heeft klager zich tot gewend tot de Raad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder bij publicatie van zijn ingezonden brief een essentiële zin heeft geschrapt, waardoor de boodschap die hij wilde overbrengen is verzwakt. Met deze zin werd bedoeld aan te tonen dat het in de brief gesignaleerde verschijnsel – wezenlijk verkeerd citeren – zich inderdaad voordoet. Klager vraagt zich af of een krant zonder overleg met de schrijver in een ingezonden brief een essentiële zin mag schrappen. Hij is van mening dat verweerder onzorgvuldig te werk is gegaan en acht zich hierdoor en door het uitblijven van een correctie in de krant in zijn belang geschaad.

Verweerder, die erkent dat het citaat in de kop van het artikel onvolledig was, bestrijdt dat een essentiële zin uit de ingezonden brief zou zijn weggelaten. Hij is van mening dat de strekking van de brief glashelder is gebleven en ziet niet in dat de inkorting van de brief een schadelijk effect heeft gehad op de goede naam van de klager. Bovendien wordt aan de lezers dagelijks in de krant meegedeeld dat de redactie zich het recht voorbehoudt om brieven te redigeren en in te korten.
Verweerder wijst erop, dat op pagina 2 van de Volkskrant van 31 maart 2001 het citaat wel juist en volledig was opgenomen. De lezers konden derhalve toch adequaat geïnformeerd zijn over de door Máxima Zorreguieta afgelegde verklaring.
Ten slotte stelt verweerder dat klager in zijn brief aan de ombudsman slechts de verwachting heeft uitgesproken dat de krant zou terugkomen op de kwestie. De ombudsman heeft niet aan klager toegezegd, dat hij aan de grieven van klager in zijn eerstvolgende column aandacht zou schenken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een redactie bij het gebruikmaken van haar recht tot het inkorten of redigeren van ingezonden brieven te voorkomen, dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief (vgl. onder meer: Habets tegen De Gelderlander, RvdJ 2000/71).
Uit de ingezonden brief van klager is weliswaar een zin geschrapt, maar klager heeft niet aannemelijk weten te maken dat die zin zo een essentieel onderdeel uitmaakt van zijn brief, dat weglating ervan afbreuk zou doen aan inhoud of strekking van zijn schrijven. De strekking van klagers brief was, dat Máxima verkeerd geciteerd werd door journalisten. Deze strekking is volledig overeind gebleven, ondanks het weglaten van klagers mededeling dat ook de koppenmaker van de Volkskrant zich aan dat verkeerd citeren had schuldig gemaakt.
Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 2001
door mr. J.B. Fleers, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. C.E.J.M. Joosten, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-40