2001/4 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.M.J.G. van Gelder

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 2 oktober 2000 met drie bijlagen heeft A.M.J.G. van Gelder te Eefde (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (wederpartij). Bij brief van 17 november 2000 heeft A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, meegedeeld dat de wederpartij zich niet tegen de klacht zal verweren.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 januari 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 7 september 2000 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop "Man onthoofd in bos bij Waalre" In het artikel zijn de voor- en achternaam, leeftijd, adres en woonplaats van het slachtoffer vermeld. Tevens wordt meegedeeld dat zijn zoon van de moord wordt verdacht. Van hem zijn voornaam en leeftijd vermeld. Verder is een aantal details van (de achtergronden van) het misdrijf beschreven. In De Telegraaf van 8 september 2000 is een vervolgartikel opgenomen onder de kop "Zoon van onthoofde vader aangehouden". Dit artikel bevat opnieuw de hiervoor bedoelde persoonsgegevens, uitgezonderd de voornaam van de zoon. Het slachtoffer is een zwager van klager.

Bij brief van 8 september 2000 heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel aan de wederpartij kenbaar gemaakt. Hierop heeft de wederpartij niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de artikelen informatie bevat die onjuist is en stigmatiserend werkt. Als voorbeeld noemt klager onder meer de vermelding dat de zoon jarenlang psychische problemen heeft. Volgens klager ontbreekt in de berichtgeving elk respect voor het slachtoffer en de nabestaanden. De berichtgeving had zijns inziens sober en toch informatief moeten zijn. Voorts blijkt naar zijn mening uit de koppen, de teksten en de uitvoerige vermelding van persoonsgegevens dat verweerder heeft nagelaten afwegingen te maken omtrent privacy en ethiek.
Door de wijze van berichtgeving is ernstige emotionele schade toegebracht aan de partner en de dochter van het slachtoffer en aan de overige directe familieleden, aldus klager.

De wederpartij heeft niet op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht om de vraag of het, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, tegenover het slachtoffer en de nabestaanden maatschappelijk aanvaardbaar is om over een ernstig geweldsmisdrijf tegen personen zo te berichten dat:
a) de identiteit van het slachtoffer bekend wordt;
b) details van het misdrijf vermeld worden die zeer pijnlijk zijn voor de nabestaanden.
Onlangs heeft de Raad in een vergelijkbare klacht van J. Zijp tegen de hoofdredacteur van Het Parool (RvdJ 2000/67) - onder verwijzing naar de uitspraken RvdJ 1988/28 en RvdJ 1995/15 - zijn vaste standpunt bevestigd, dat luidt:

"Voorop moet worden gesteld, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Dit geldt ook voor publicaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan."

Met betrekking tot vraagonderdeel a. staat tegenover dit uitgangspunt de plicht van de journalist om, wanneer het slachtoffer en/of zijn naasten door het bericht herkenbaar kunnen worden, zich af te vragen of onevenredige benadeling van of leedtoevoeging aan deze personen het gevolg van de berichtgeving kan zijn. De journalist dient in dat geval het belang van deze personen te laten prevaleren en dus hun herkenbaarheid te vermijden. Het in berichtgeving over geweldsmisdrijven herkenbaar en identificeerbaar maken van slachtoffers kan niet zonder meer als een dergelijke onevenredig zware leedtoevoeging beschouwd worden.
Met betrekking tot vraagonderdeel b. staat tegenover het hiervoor geformuleerde uitgangspunt dat details van het misdrijf weggelaten dienen te worden, indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard van het misdrijf weer te geven. Los van dit alles dient een journalist zich er bij berichtgeving over geweldsmisdrijven zo mogelijk van te vergewissen dat de naaste familie van het slachtoffer op de hoogte is van de gebeurtenis, voordat tot publicatie wordt overgegaan.

Voorts is de Raad van mening dat ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden terughoudendheid in de berichtgeving is geboden. Een journalist dient dan ook in beginsel te voorkomen dat een verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken (zie ook: B. van 't Hof tegen de hoofdredacteur van de Goudsche Courant, RvdJ 2000/26).

Zoals hierboven is weergegeven, kan het enkele feit, dat de personalia van het slachtoffer in de publicaties zijn genoemd, niet als een zo zware leedtoevoeging worden aangemerkt dat de in acht te nemen grenzen zijn overschreden.
In dit geval, waarin sprake is van een gruwelijk misdrijf, leidt identificatie van het slachtoffer echter tevens tot identificatie van de verdachte.
De Raad is voorts van oordeel dat verweerder de berichtgeving had kunnen anonimiseren, zonder enige afbreuk te doen aan de nieuwswaarde ervan.

In het licht van het bovenstaande moet derhalve worden geconcludeerd dat de wederpartij door melding van te maken van de persoonsgegevens van slachtoffer en verdachte grenzen van de in acht te nemen journalistieke zorgvuldigheid heeft overschreden.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. A. Herstel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-04