2001/38 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.J. Bakker

tegen

E. van der Leij

Bij brief van 9 maart 2001 met een bijlage heeft mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, namens R.J. Bakker te Enschede (klager) een klacht ingediend tegen E. van der Leij. (verweerder). Hierop heeft mr. H.J.M. Boukema, advocaat te Den Haag, namens verweerder gereageerd in een brief van 20 april 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In Nieuwe Revu nummer 11 (lopend van 7 tot 14 maart 2001) is een artikel van de hand van Van der Leij verschenen onder de kop "Unieke gids voor de ramptoerist, Doe de dagtocht Enschede". De intro van het artikel luidt:
"Door het 'tekort schieten' van de rijksoverheid, de gemeente Enschede en het bedrijf S.E. Fireworks (conclusies commissie-Oosting) is Enschede uitgegroeid tot hotspot voor ramptoeristen. Helaas voor de bezoekers is de in as gelegde wijk Roombeek-West hermetisch afgesloten. WIE DE GEVOLGEN VAN DE VUURWERKRAMP TOCH WIL AANSCHOUWEN, KAN GEBRUIK MAKEN VAN ONDERSTAANDE RONDLEIDING LANGS HET RAMPGEBIED."
Het adres van klager maakt onderdeel uit van de beschreven 'rondleiding'. Het artikel bevat voorts de volgende passage:
"(...) Bakker, volgens Oosting samen met mede-eigenaar Willy Pater hoofd-verantwoordelijk voor de vuurwerkramp. Een vitrage dient als muur tussen Bakker en de nieuwsgierige buitenstaander, maar wie aanbelt loopt een gerede kans oog in oog te komen met de gezette Enschedeër. Hij komt dan wel via de gang, aan de linkerkant van de woning, maar toch. En distantieert zich vervolgens van de Oosting-rapportage. "Ik kom nog wel met mijn echte verhaal.""

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn privacy, met name door het vermelden van zijn privé-adres en door de uitlokking tot aanbellen bij zijn woning teneinde hem in persoon te kunnen ontmoeten. Gezien de lading van de zaak (de vuurwerkramp) en de daarmee gepaard gaande heftige emoties kan de uitnodiging om aan te bellen tevens worden gezien als een uitnodiging tot andere acties, aldus klager. Hij wijst er in dit verband op dat het artikel is gericht tot ramptoeristen, die a-priori (mede) handelen uit nieuwsgierigheid.
Voorts bevat het artikel een aantal onjuistheden die grievend zijn voor klager. Zo heeft de Commissie Oosting zich in haar rapport niet uitgesproken over de vraag wie schuld heeft aan de vuurwerkramp in Enschede. De Commissie heeft klager niet aangewezen als hoofdverantwoordelijke, maar het bedrijf van SE Fireworks genoemd als een van de verantwoordelijke partijen. Klager heeft slechts twee jaar de leiding van dit bedrijf gehad.
Ten slotte stelt klager dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding. Toen verweerder klager om een interview verzocht, heeft hij vermeld dat hij daarover contact had gehad met klagers raadsman en dat die geen bezwaar had. Tevens heeft verweerder contact opgenomen met het kantoor van klagers raadsman en doorgegeven dat klager graag een interview wilde geven. Beide stellingen zijn echter niet juist.
Klager betoogt dat verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een journalist in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Dit handelen kan niet worden gerechtvaardigd; de gepubliceerde gegevens zijn - voor zover juist - op geen enkele wijze relevant en hebben niets van doen met het recht van vrijheid van meningsuiting dat aan verweerder als grondrecht toekomt.

Verweerder stelt voorop dat het artikel een indruk probeert te geven van het dagelijks leven in de rampwijk van Enschede. Daarbij is gebruik gemaakt van ironie als stijlmiddel en is gekozen voor een laag abstractieniveau. Volgens verweerder springt het alledaagse van klager en zijn woning in het oog tegen de ruïneuze achtergrond van de verwoeste stadswijk en geeft dit stof tot nadenken.
Verder stelt verweerder, dat in de buurt waarin klager woont zijn betrokkenheid met de ramp bekend is. Bovendien zijn de op klager herleidbare gegevens, zoals zijn woonadres, algemeen kenbaar en vormt de vermelding daarvan dan ook geen inbreuk op zijn privacy. Aangezien klager voorts geen incidenten heeft gemeld, heeft zijn bezwaar over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer een hoog abstractiegehalte en mist dit bezwaar feitelijke grondslag.
De uitleg van beweringen in, en de strekking van, het rapport-Oosting behoort tot de vrijheid van meningsuiting, aldus verweerder. Klager gaat er overigens aan voorbij dat SE Fireworks veiligheidsvoorschriften en vergunningen niet naleefde en dat klager de leiding en zeggenschap over deze onderneming had. Gedurende twee jaar heeft klager blijkbaar onvoldoende gedaan om de ernstige risico's weg te nemen. Volgens verweerder staat het een journalist vrij om te vermelden dat klager volgens Oosting mede hoofdverantwoordelijke is voor de vuurwerkramp.
Verweerder betwist ten slotte dat sprake is van misleiding. Hij kan zich niet vinden in het relaas van klager betreffende al dan niet aangevraagde interviews.
De bestreden publicatie kan, aldus verweerder, de toets der journalistieke en juridische kritiek doorstaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a. schending van klagers privacy;
b. vermelding van onjuistheden;
c. misleiding betreffende het aanvragen c.q. geven van interviews.

Volgens het vaste oordeel van de Raad is ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden terughoudendheid geboden. Een journalist dient te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken (vgl. onder meer Van Gelder tegen De Telegraaf, RvdJ 2001/04 en X tegen Ebisch, RvdJ 2001/03).
De vuurwerkramp in Enschede heeft ruime aandacht van de media gehad, en klager heeft onder meer zijn medewerking verleend aan televisie-uitzendingen in dit verband. Klagers naam kan dan ook voor zover het om die ramp gaat inmiddels als algemeen bekend worden verondersteld, zodat publicatie daarvan in dat kader geen schending van de hiervoor geformuleerde norm oplevert. Gelet op het feit dat de vuurwerkramp heeft geleid tot heftige emoties bij het publiek, maken de vermelding van klagers adres en de uitnodiging tot het aanbellen bij zijn woning echter een te ver gaande inbreuk op klagers persoonlijke levenssfeer. Dat klagers adres zou zijn terug te vinden in een bijvoorbeeld een telefoonboek, biedt onvoldoende rechtvaardiging voor die inbreuk. Ook het feit dat het vermelden van klagers adres past in het karakter van de publicatie levert geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan van voormelde norm kan worden afgeweken. Op dit punt heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Wat betreft onderdeel b. moet worden vooropgesteld dat klager ten tijde van de vuurwerkramp directeur was van SE Fireworks en daaraan feitelijk leiding gaf. Zoals klager ook heeft erkend, heeft de Commissie Oosting voornoemd bedrijf aangewezen als een van partijen die verantwoordelijk is voor de ramp. Tegen deze achtergrond bezien acht de Raad de vermelding dat klager "volgens Oosting samen met mede-eigenaar Willy Pater hoofd-verantwoordelijk voor de vuurwerkramp" is, niet ontoelaatbaar. Overige onjuistheden van betekenis zijn gesteld noch gebleken. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

De standpunten van partijen over verweerders handelwijze ter zake van het aanvragen c.q. geven van interviews staan lijnrecht tegen over elkaar. De Raad beschikt niet over de mogelijkheden om vast te stellen welk standpunt juist is. Daarom slaagt onderdeel c. van de klacht evenmin.

BESLISSING

Wat betreft onderdeel a. is de klacht gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 2001
door mr. J.B. Fleers, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. C.E.J.M. Joosten, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-38