2001/35 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Dr. B. Jagt

tegen

de Haagsche Courant

Bij brief van 8 maart 2001 met 9 bijlagen heeft B. Jagt te Voorschoten (klager) een klacht ingediend tegen de Haagsche Courant (verweerder). Hierop heeft adjunct-hoofdredacteur D.M.W. Toet gereageerd in een brief van 2 april 2001 met 1 bijlage, gevolgd door een brief van 20 april 2001 met nog een nadere bijlage. Bij brief van 21 mei 2001 heeft klager een aanvullend pakket stukken ingebracht, gerubriceerd in vier onderdelen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 juni 2001 in aanwezigheid van partijen. Klager werd vergezeld door ds. H. Blankespoor. Namens verweerder waren aanwezig D. van der Meer, R. van Leusden en mevrouw B. Elias.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door vier leden waarbij mr. A. Herstel als plaatsvervangend voorzitter is opgetreden.

Klager en verweerder hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 29 januari 2001 diende bij het gerechtshof te 's-Gravenhage in hoger beroep een strafzaak tegen klager wegens vermeende ontucht met een destijds 17-jarige cliënt. Een verslaggeefster van verweerder heeft de zitting bijgewoond. Op 12 februari 2001 is door het gerechtshof arrest gewezen. Klager is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, alsmede tot betaling van fl. 7.000,= smartengeld. Deze straf is hoger dan de voordien door de rechtbank opgelegde straf.

De volgende dag is in de Haagsche Courant een artikel over de uitspraak van het hof verschenen onder de kop "Advocaat cel in wegens misbruik". In het artikel is in grote lijnen toegelicht waar, wanneer en hoe de ontucht zou zijn gepleegd.

Klager heeft naar aanleiding van de publicatie eerst telefonisch en vervolgens bij brief van 16 februari 2001 gevraagd om een rectificatie daarvan, althans om een opiniërend artikel in de krant te mogen schrijven met een ruimere context dan uitsluitend zijn eigen strafzaak. Een dergelijk artikel heeft hij bij brief van 23 februari 2001 aan verweerder toegezonden, waarna enkele malen telefonisch overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden. Het artikel is uiteindelijk niet gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat het rechtbankverskag van 13 februari 2001 een onvolledig, selectief en misplaatst beeld geeft van wat er op de zitting is gezegd en gebeurd. Hij stelt dat hij ten onrechte is beschuldigd en veroordeeld en meent dat in het artikel meer aandacht besteed had moeten worden aan hetgeen zijn advocaat namens hem zoal heeft aangevoerd.
Klager stelt dat hij aanvankelijk om rectificatie van het artikel heeft gevraagd, maar dat vervolgens in telefoongesprekken tussen verweerder en hem is afgesproken dat niet een rectificatie, maar een opiniërend artikel van zijn hand van maximaal 850 woorden zou worden gepubliceerd. Naast het artikel van klager zou een antwoord van de Officier van Justitie worden geplaatst, welk antwoord eventueel langer mocht zijn. Als voorwaarde voor de publicatie gold dat klager de beschuldiging tegen zichzelf en de hem opgelegde straf moest vermelden, hetgeen hij gedaan heeft.
Klager meent dat verweerder de gemaakte afspraken heeft geschonden door uiteindelijk niet tot plaatsing van het door hem geschreven artikel over te gaan.

Verweerder stelt dat de verslaggeefster een zo volledig en objectief mogelijk beeld van de zitting en de uitspraak heeft geschreven en dat met het artikel niets mis is. In het eerste contact na de publicatie van het artikel zijn klager en de adjunct-hoofdredacteur van verweerder, Olink, tot de conclusie gekomen dat een rectificatie niet op zijn plaats was omdat het stuk inhoudelijk niet onjuist was. Wel heeft Olink gezegd bereid te zijn te overwegen een opiniërend artikel in meer brede context van de hand van klager te plaatsen. Omdat het vast beleid is dat een veroordeelde niet in de krant mag "napleiten", zou dat moeten gaan over de rol en houding van het Openbaar Ministerie in het algemeen in zaken als deze. Om te voorkomen dat klager een te lang artikel zou schrijven is bij voorbaat een maximum aan het aantal woorden gesteld.
Het door klager ingezonden concept-artikel vond verweerder onvoldoende. Wel zou met een reactie van het OM een tweeluik kunnen worden gevormd, waarmee het artikel aan waarde zou kunnen winnen. Het OM liet echter na herhaald overleg weten hier geen behoefte aan te hebben, waarop besloten is het artikel van klager niet te plaatsen. Daarbij is mede overwogen dat klager direct betrokkene was en wellicht nog beroep in cassatie zou instellen.
Verweerder meent dat nimmer aan klager een toezegging is gedaan dat een artikel van zijn hand geplaatst zou worden. Verweerder stelt integer en journalistiek correct te hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het artikel beschrijft de inhoud van het tegen klager gewezen arrest en de achtergronden daarvan. Klager heeft ter zitting desgevraagd geen concrete onjuistheden in het artikel kunnen aanwijzen, maar stelt zijn eigen standpunt en argumenten onvoldoende in het artikel terug te vinden. Verweerder was echter, anders dan klager kennelijk meent, niet gehouden het standpunt en de argumenten van klager in het verslag te vermelden.
Het gewraakte artikel kan derhalve de toets der kritiek doorstaan. Het is dan ook begrijpelijk dat verweerder niet tot rectificatie van het artikel heeft willen overgaan.

Over de vraag of publicatie van het door klager geschreven opiniërende artikel door verweerder is toegezegd, verschillen partijen van mening. Uit het noemen van een maximum aantal woorden voor een eventueel te plaatsen artikel kan, hoewel dit wellicht verwarrend is geweest voor klager, een dergelijke toezegging niet worden afgeleid.

In het algemeen is gebruikelijk dat de beoordeling door een krant of al dan niet tot plaatsing van een ingezonden artikel wordt overgegaan, mede afhangt van de inhoud en kwaliteit van de aangeleverde tekst. Verweerder heeft betoogd dat bij die afweging is besloten dat het artikel alleen gepubliceerd zou worden wanneer dat in de vorm van een tweeluik met het OM zou kunnen geschieden. Opvallend is dat klager zowel in de stukken als ter zitting zelf ook heeft gesteld dat een reactie van het OM naast zijn artikel zou komen te staan. Vast staat echter dat het OM, ondanks verzoek daartoe en overleg daarover, niet aan een tweeluik heeft willen meewerken.

Alles in aanmerking genomen heeft klager onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat hem met betrekking tot plaatsing van het artikel, in afwijking van hetgeen gebruikelijk is, een concrete toezegging is gedaan.

BESLISSING

De Raad verklaart de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in de Haagsche Courant.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2001 door mr. A. Herstel, voorzitter, H. van Gessel, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2001-35