2001/32 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.E.L. Van Bost

tegen

het Eindhovens Dagblad

Bij brief van 13 maart 2001 met 3 bijlagen heeft P.E.L. Van Bost te Veldhoven (klager) een klacht ingediend tegen het Eindhovens Dagblad (verweerder). Hierop heeft hoofdredacteur J.M. van der Hart gereageerd in een brief van 13 april 2001 met 1 bijlage. Nadien zijn nog binnengekomen een brief van 9 mei 2001 van de Koninklijke Belgische Unie voor de Overzeese Landen en een brief van 27 mei 2001 met 3 bijlagen van klager.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 juni 2001 in aanwezigheid van klager en diens echtgenote. Verweerder was niet aanwezig.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het Eindhovens Dagblad van 29 januari 2001 is een artikel verschenen onder de kop "Congo, het zwarte gat van onze wereld". In dit artikel is de geschiedenis van Congo beschreven, waaronder ook de periode dat Congo een kolonie van België was. Aan de hand van boeken van de Belgische ex-ambassadeur Marchal en de Amerikaans historicus Hochschild wordt deze periode beschreven in termen als "de Belgische genocide", een "geschiedenis van plundering, verkrachting, slavernij, systematische terreur" en ""België's gruwelkamer, een pretpark voor sadisten en avonturiers".

Klager heeft op 31 januari 2001 verweerder per e-mail een reactie op het artikel (met nog enkele bijlagen) gezonden, met de bedoeling dat deze reactie in het Eindhovens Dagblad geplaatst zou worden. Toen hier niet op werd gereageerd en ook plaatsing uitbleef, heeft klager bij brief van 18 februari 2001 zijn standpunt nader toegelicht en verweerder nogmaals verzocht om publicatie van zijn reactie. Ook op deze brief van klager is niet gereageerd en evenmin heeft publicatie van de reactie plaatsgevonden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat het artikel ongenuanceerd demagogisch en eenzijdig is, nu de kolonisatie door België Congo heel veel goeds heeft gebracht. Het artikel strookt niet met zijn eigen ervaringen en herinneringen aan de koloniale periode. De lezers worden door het artikel misleid, nu er ook heel andere boeken over de desbetreffende periode zijn geschreven dan de twee boeken die zijn aangehaald. Als Belg, oud-koloniaal en zoon van een koloniaal voelt klager zich diep gekwetst door de onwaarheden die in het artikel staan. Het moet mogelijk zijn hier ook een ander geluid tegenover te stellen. Dat het Eindhovens Dagblad dat niet honoreert en visies meent te kunnen opleggen onder weigering van andersluidende visies, ervaart klager als censuur. Dat niet gereageerd wordt op zijn brieven is bovendien onbehoorlijk en getuigt van minachting.

Verweerder stelt dat klager censuur verwart met het beleid en de eigen verantwoordelijkheid van het Eindhovens Dagblad inzake het publiceren van lezersbrieven. Het is het prerogatief van de redactie te bepalen of en wanneer ingezonden brieven voor publicatie in aanmerking komen. De redactie is voorts niet verplicht aan de auteur mee te delen waarom zijn of haar brief niet voor publicatie in aanmerking komt. Op de opiniepagina, waar de ingezonden brieven worden gepubliceerd, is vermeld: "Brieven kunnen zonder opgaaf van reden ter zijde worden gelegd en worden niet geretourneerd".

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager heeft ter zitting bevestigd dat op de opiniepagina van de krant is vermeld dat ingezonden brieven zonder opgaaf van reden kunnen worden geweigerd. De redactie van verweerder had dan ook - hoe frustrerend ook voor klager - de vrijheid de reactie van klager op het gewraakte artikel ter zijde te leggen. Het had het Eindhovens Dagblad wel gesierd als het klager hierover rechtstreeks had bericht, in plaats van de brieven van klager te negeren en eerst in deze procedure zijn standpunt te verwoorden.

BESLISSING

De Raad verklaart de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2001 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, mr. A. Herstel, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2001-32