2001/26 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. W.J.J. Lamers

tegen

H. Godthelp en de hoofdredacteur van het Amstelveens Nieuwsblad

Bij brief van 16 februari 2001 met drie bijlagen heeft mr. J. de Groot, advocaat te Amstelveen, namens mr. W.J.J. Lamers (klager) een klacht ingediend tegen H. Godthelp en de hoofdredacteur van het Amstelveens Nieuwsblad (verweerders). Hierop heeft Godthelp gereageerd in een brief van 26 februari 2001 met een bijlage. Bij faxbericht van 19 maart 2001 heeft mr. De Groot de klacht nader toegelicht, waarop Godthelp heeft geantwoord in een faxbericht van 5 april 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juni 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 31 januari 2001 is in het Amstelveens Nieuwsblad een artikel van de hand van Godthelp verschenen onder de kop "Deken van orde van advocaten, Twijfel rol voormalige advocaat V.d. Broek". Het artikel meldt dat de heer Van den Broek een klacht tegen mr. Lamers heeft voorgelegd aan de Deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Amsterdam.
De intro van het artikel luidt:
"Er lijken bij de deken van de orde van advocaten twijfels te bestaan over de onpartijdigheid van de Amstelveense jurist mr. W. Lamers ten tijde van diens bemoeienis met de zaak T. van den Broek."
In een faxbericht van 6 februari 2001 heeft mr. De Groot de bezwaren van klager tegen het artikel aan Godthelp kenbaar gemaakt en rectificatie verzocht. Dit faxbericht is bijna volledig als ingezonden brief gepubliceerd in de rubriek 'Lezers schrijven' van het Amstelveens Nieuwsblad van 7 februari 2001.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt allereerst dat verweerders hebben nagelaten hem als direct belanghebbende over de kwestie te raadplegen. Als verweerders voorafgaand aan de publicatie contact met hem hadden opgenomen, dat had hij kunnen meedelen dat de Deken van de Orde van Advocaten verplicht is elke klacht in behandeling te nemen. Het feit dat de klacht van Van den Broek in behandeling is genomen zegt dus niets over de gegrondheid van die klacht, aldus klager. Hij wijst erop dat de door Van den Broek aan verweerders ter beschikking gestelde brief van de Deken onderdeel uitmaakt van een omvangrijk dossier en dat verweerders die brief onjuist hebben geïnterpreteerd Uit de brief kan geenszins worden afgeleid dat bij de Deken twijfels zijn gerezen omtrent het optreden van klager. Twijfels zijn geuit door Van den Broek en omdat hij die twijfels heeft verwoord in een klacht bij de Deken, is deze verplicht klager om commentaar te vragen. Klager meent dat de klacht van Van den Broek onterecht is en zijn weergave van de feiten onjuist. Als verweerders zorgvuldig te werk zouden zijn gegaan, dan zou het artikel evenwichtiger van toon zijn geweest. In plaats daarvan is het artikel eenzijdig en suggestief. Het feit dat klager een geheimhoudingsplicht heeft met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak, ontslaat verweerders overigens niet van de verplichting tot toepassing van wederhoor; klager kan immers wel uitleg geven over de procedurele kant van de kwestie.
Voorts stelt klager dat de fax van mr. De Groot van 6 februari 2001 een sommatie was tot het plaatsen van een rectificatie en geen ingezonden stuk. Het faxbericht was dan ook niet gericht aan de rubriek 'Lezers schrijven' en verweerders hadden deze brief niet als ingezonden brief behoren te plaatsen.
Klager wijst er ten slotte op, dat zijn kantoor een groot aantal reacties op het artikel heeft ontvangen. Veel van zijn cliënten zijn in Amstelveen gevestigd en ontvangen het Amstelveens Nieuwsblad. Dergelijke publiciteit is voor klager en zijn kantoor bijzonder schadelijk.

Verweerders stellen dat het artikel is gebaseerd op een brief van de Deken van de Orde van Advocaten gericht aan de heren Lamers en Van den Broek. Zij wijzen op een alinea uit de brief die luidt als volgt: "Voorts verzoek ik mr. Lamers mij aan te geven of hij de heer Van den Broek er schriftelijk op heeft gewezen dat hij ook de wederpartijen adviseerde en hem daarvoor een oplossing heeft geboden." De brief van de Deken laat volgens verweerders ruimte voor interpretatieverschil. Bovendien wordt in het artikel geenszins vooruitgelopen op de uitkomst van het onderzoek, maar alleen geschreven dat er "twijfels lijken gerezen", aldus verweerders.
Zij stellen verder dat het beginsel van hoor en wederhoor hier niet van toepassing is, nu het artikel niet is gebaseerd op mondelinge, slecht controleerbare informatie van een van de partijen maar op de brief van de Deken. Geen van betrokken partijen, klager noch Van den Broek, is om een reactie gevraagd. Overigens is verweerders bekend dat klager geen mededelingen mag doen, zoals hij zelf ook aangeeft.
Verweerders menen dat zij de reactie van klager op het artikel op de daartoe geëigende plek hebben opgenomen in de rubriek 'Lezers schrijven'. De tekst van klagers brief kwam grotendeels overeen met de door hem gewenste rectificatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de kop en intro van het artikel wordt gesteld dat bij de Deken van de Orde van Advocaten twijfel bestaat, althans lijkt te bestaan over de rol en onpartijdigheid van klager. Aldus wekken kop en intro de indruk dat de Deken een oordeel uitspreekt over de klacht van Van den Broek tegen klager. Deze suggestie is echter niet juist. In procedures betreffende klachten over Nederlandse advocaten fungeert de Deken van de Orde als 'intermediair' en onderzoeker: hij brengt zonodig lijn aan in de klacht, onderzoekt deze en probeert waar mogelijk te bemiddelen. Indien bemiddeling niet mogelijk of succesvol is, brengt de Deken de klacht aan bij de Raad van Discipline. De Deken geeft zelf geen oordeel over de klacht, behalve wanneer hij deze kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht acht. Deze gang van zaken is in het artikel ten onrechte niet in aanmerking genomen, met als gevolg dat sprake is van jegens klager onzorgvuldige berichtgeving, gebaseerd op een onjuiste uitleg van de brief van de Deken. Zou die brief wel juist zijn uitgelegd dan zou overigens voor wederhoor geen grond hebben bestaan omdat een dergelijke brief als een voldoende betrouwbare bron mag worden beschouwd.
De wijze waarop de sommatiebrief van klagers raadsman is behandeld, is evenmin zorgvuldig. Verweerders hadden kunnen en moeten begrijpen dat die brief niet als ingezonden stuk was bedoeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, dient in een dergelijk geval publicatie zonder toestemming en medeweten van de brievenschrijver achterwege te blijven (vgl. R. Schoot tegen HP/De Tijd, RvdJ 2000/12). Het als ingezonden brief publiceren van een schrijven waarin rectificatie wordt verzocht kan - bijzondere omstandigheden, die zich in dit geval niet hebben voorgedaan, daargelaten - derhalve niet worden beschouwd als een geëigende manier om met klachten van lezers om te gaan. Ook op dit punt hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Amstelveens Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 juli 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mw. drs. B.L.W. Tillema en leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2001-26