2001/25 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.J.T.M. van Veenendaal en B.H. van Doorn

tegen

R. van Zanten, hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, H. van Ess en M. van Silfhout

Bij brief van 1 februari 2001 met negen bijlagen heeft mr. E. Fransen, advocaat te Den Haag, namens A.J.T.M. van Veenendaal en B.H. van Doorn (klagers) een klacht ingediend tegen R. van Zanten, hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, H. van Ess en M. van Silfhout (verweerders). Hierop heeft mr. M.J. Cools, advocaat te Utrecht, namens verweerders gereageerd in een brief van 15 maart 2001 met twee bijlagen. Per faxbericht van 8 mei 2001 heeft mr. Fransen nog een bijlage overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 mei 2001. Klagers zijn daar verschenen, vergezeld van mr. Fransen. Aan de zijde van verweerders zijn A. Kalmann, adjunct hoofdredacteur, Van Ess, Van Silfhout en mr. Cools verschenen. Beide raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

In december 2000 zijn in het Utrechts Nieuwsblad vijf artikelen verschenen van de hand van Van Ess en Van Silfhout over handel in onroerend goed door klagers, ambtenaren van de gemeente Utrecht, en hun echtgenotes als directeuren van Rens BV. De koppen van de artikelen luiden:
* "Wellicht misbruik voorkennis bij aankoop huizen" (2 december)
* "BV echtgenotes blijkt dwaalspoor van ambtenaren" (vervolg 2 december)
* "Geheimhouding onderzoek wekt alom verbazing" (4 december)
* "'Justitieel onderzoek huizenhandel'" (5 december)
* "Utrecht onderzoekt huizenhandel zelf" (7 december)
* "Huizenhandel toch extern onderzocht" (16 december)
In de artikelen worden klagers genoemd en hun functies vermeld.
Bij brieven van 21 en 28 december 2000 heeft mr. Fransen bezwaren van klagers aan verweerders kenbaar gemaakt en om rectificatie verzocht. Hierop heeft correspondentie tussen de raadslieden plaatsgevonden. Dit heeft niet geresulteerd in een oplossing.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat zij strafbaar hebben gehandeld. In de berichtgeving wordt gesproken van (mogelijk) "misbruik van voorkennis", (mogelijk) "witwassen van zwart geld", (mogelijke) "malversaties met bouwvergunningen" en een (mogelijk) "justitieel onderzoek", en Rens BV wordt als "dwaalspoor" aangeduid. Geen van deze beschuldigingen wordt met relevante feiten onderbouwd, aldus klagers. De aangehaalde bronnen zijn volgens hen ondeugdelijk dan wel irrelevant. Volgens klagers hebben verweerders nagelaten de status, actualiteit en inhoud te verifiëren van de voornaamste schriftelijke bron, een 'werkrapport' van een voormalig ambtenaar van het Ministerie van VROM. Voorts hebben verweerders beschikbare en voor klagers ontlastende informatie welbewust en kennelijk opzettelijk niet weergegeven. Zo is niet vermeld dat de politie van de gemeente Utrecht heeft besloten om geen onderzoek in te stellen. De berichtgeving is derhalve tendentieus, grievend en eenzijdig. Daarnaast bevatten de artikelen weinig feiten en die wel zijn vermeld, zijn onjuist dan wel onvolledig weergegeven. Verweerders hebben voorafgaand aan hun publicatie geen of onvoldoende onderzoek verricht, aldus klagers.
Zij stellen verder dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten aan hen de kans te bieden hun visie te geven. Verweerders hebben klagers ook op geen enkel moment rechtstreeks benaderd om de feiten te controleren. Klagers hebben ook nimmer vernomen dat verweerders hen indirect, via derden, probeerden te benaderen. Verweerders hebben weliswaar contact gehad met de echtgenote van Van Veenendaal, doch slechts in haar hoedanigheid van directeur van Rens BV. Dit ontsloeg verweerders niet van de verplichting klagers persoonlijk te benaderen, zo betogen zij.
Ten slotte zijn klagers in de artikelen ten onrechte aanhoudend met naam en ambtelijke functie vermeld. Daarbij zijn zij in verband gebracht met vermeend strafbaar handelen en aldus in een crimineel kader geplaatst. Gezien de inhoud en strekking van de berichtgeving hebben klagers het als bijzonder schokkend ervaren dat zij volledig herkenbaar zijn opgevoerd. Aldus zijn de persoonlijke en professionele integriteit en de goede naam van klagers aangetast en is hun verdere functioneren als ambtenaar ernstig in gevaar gebracht. Klagers ondervinden ten gevolge van de berichtgeving onevenredig nadeel in hun privé- en werkomgeving. Bovendien is in het artikel van 7 december vermeld dat ook anderen deze handelwijze van verweerders afwijzen. De gemeente heeft, voorafgaand aan de publicatie, schriftelijk ernstig bezwaar gemaakt tegen het vermelden van namen. Verder blijkt uit berichtgeving van De Telegraaf en het Financieele Dagblad over deze kwestie dat het gebruikelijk is om in een dergelijk geval geen namen te vermelden. Die nieuwsvoorziening is - alhoewel eveneens feitelijk onjuist - even adequaat, alhoewel daarin herkenbaarheid van klagers is vermeden.

Verweerders stellen dat de artikelen gebaseerd zijn op diverse bronnen, waaronder een rapport van het Ministerie van VROM, waarvan duidelijk is vermeld dat dit uit 1997 dateert, de Kamer van Koophandel en zakenlieden. Alhoewel blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel officieel de echtgenotes van klagers Rens BV besturen, hebben meer dan twintig bronnen verklaard dat klagers daar in feite de dienst uitmaken. Klagers hebben hun nevenactiviteiten bovendien niet aan hun werkgever gemeld. Deze wijze van versluiering van activiteiten is dan ook terecht een 'dwaalspoor' genoemd, aldus verweerders. Bovendien is in de berichtgeving duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten en vermoedens. Zij betwisten dat de berichtgeving eenzijdig of vooringenomen is. In de artikelen van 2 en 4 december is voor klagers gunstige informatie opgenomen, zoals een citaat van de burgemeester van Utrecht, dat luidt: "Ik vond het niet nodig om het College te informeren, omdat er op dat moment onvoldoende bewijzen waren voor misbruik."
Verweerders beklemtonen dat zij alles hebben ondernomen om klagers aan het woord te laten. Klagers hebben zich echter stelselmatig onbereikbaar gehouden, c.q. steeds opnieuw vertragingstactieken gebruikt. Verweerders wijzen in dit verband onder meer op een schriftelijke uitnodiging aan Rens BV, waarin is vermeld: "Wij nodigen u daarom graag uit voor een onderhoud .... met ondergetekenden, u beiden (directieleden van Rens BV) en indien mogelijk u beider echtgenoten." Van Veenendaal heeft bovendien eenmaal de mobiele telefoon van verweerders ingesproken met: "Ik heb begrepen dat u mij zocht?" of woorden van gelijke strekking. Er werd echter geen telefoonnummer achtergelaten waarop verweerders konden terugbellen. Uiteindelijk heeft Kalmann op donderdag 30 november nog eens het antwoordapparaat van Rens BV ingesproken met het verzoek hem die avond terug te bellen, bij gebreke waarvan verweerders op zaterdag 2 december zouden publiceren. Deze oproep heeft hij op vrijdag 1 december herhaald. Zouden klagers alsnog op deze laatste oproep hebben gereageerd, dan zouden verweerders zelfs bereid zijn geweest de publicatie uit te stellen, maar daarvoor was nu geen reden.
Wat betreft het vermelden van de naam en functie van klagers stellen verweerders dat klagers niet zijn geschorst of berispt en daarvan derhalve kennelijk geen nadeel hebben ondervonden in hun werkomgeving. Verder valt niet in te zien dat klagers zulk nadeel wel in hun privé-omgeving zouden hebben ondervonden. Aan de berichtgeving in De Telegraaf en het Financieele Dagblad kunnen geen conclusies worden verbonden, nu die is gebaseerd op de artikelen van verweerders en niet op zelfstandig onderzoek. Dit verklaart waarom in deze dagbladen de aanduiding van klagers is beperkt tot de gemeentelijke afdeling waar zij werken. Verweerders betogen dat voor het niet vermelden van namen ook in dit soort op onderzoek gebaseerde journalistiek concrete redenen aanwezig moeten zijn, bijvoorbeeld bescherming van privacy in strafrechtelijke zaken. Dergelijke redenen zijn in dezen niet aanwezig. Integendeel, het maatschappelijk belang en dat van anderen dan klagers - te weten hun collega ambtenaren op de betrokken afdelingen - zijn redenen om de namen van klagers wel te vermelden. Overigens zijn klagers niet in een crimineel kader geplaatst. Dit zou juist het geval zijn geweest wanneer in de berichtgeving met initialen zou zijn gewerkt, hetgeen in strafzaken gebruikelijk is. Ter zitting hebben verweerders nog betoogd dat in de rechtspraak een tendens valt te bespeuren die erop duidt dat - mits hiermee zorgvuldig wordt omgegaan en de onderwerpen waarover wordt gepubliceerd in voldoende mate steun vonden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal - de balans met betrekking tot het vermelden van namen moet doorslaan in de richting van de vrijheid van meningsuiting, het algemeen belang en het publieke debat.
Resumerend stellen verweerders dat zij bijzonder zorgvuldig en grondig zijn geweest in hun nieuwsgaring. Het is hun taak om misstanden, die de integriteit van het ambtenarenapparaat in diskrediet kunnen brengen, aan de kaak te stellen. Van onjuiste of tendentieuze berichtgeving is geen sprake geweest. Verweerders hebben wederhoor willen toepassen en hen kan niet worden verweten dat klagers van de daartoe geboden gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt. Ten aanzien van het vermelden van de namen van klagers dient het algemeen belang te prevaleren boven het privé-belang van klagers.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het algemene oordeel van de Raad is het een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen (zie bijvoorbeeld: Van Rens tegen Ebisch en Dagblad voor Noord-Limburg, RvdJ 1996/6). De activiteiten van klagers gaven voldoende aanleiding voor een kritische reportage. In dit licht beschouwd is de algemene toonzetting van de artikelen, hoewel mogelijk pijnlijk voor klagers, niet ongebruikelijk of ontoelaatbaar.
Partijen verschillen verder van mening over de juistheid van de in het artikel vermelde feiten. De Raad beschikt echter niet over de middelen om vast te stellen dat die onjuist zijn. Op dat punt kan de klacht derhalve evenmin slagen.
Voorts acht de Raad aannemelijk gemaakt dat verweerders hebben getracht klagers aan het woord te laten en dat klagers er voor hebben gekozen niet te reageren. Van onvoldoende toepassing van wederhoor is geen sprake.

Het is echter de vraag of de aantijgingen aan het adres van klagers rechtvaardigen dat zij met naam en functie zijn vermeld. In de zaak De Kroon tegen Korver en Couwenhoven (RvdJ 1997/15) heeft de Raad overwogen dat de journalistieke verantwoordelijkheid meebrengt dat de persoonlijke levenssfeer van personen waarover wordt gepubliceerd niet verder wordt aangetast, dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is. Evenmin als in die kwestie behoren klagers, als ambtenaren van de gemeente Utrecht, tot de categorie personen die zich een grotere aantasting van hun persoonlijke levenssfeer moet laten welgevallen dan ieder ander. Ter zitting hebben verweerders bovendien erkend dat leden van de lezersdoelgroep ook zonder vermelding van hun persoonlijke gegevens wisten dat de berichtgeving op klagers betrekking had. Het vermelden van die gegevens is voor de gestelde functie van de artikelen onder de omstandigheden niet noodzakelijk. Verweerders hadden de berichtgeving kunnen anonimiseren, zonder afbreuk te doen aan de nieuwswaarde ervan. In het licht van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat verweerders, door melding te maken van de namen en ambtelijke functies van klagers, de grenzen van de in acht te nemen journalistieke zorgvuldigheid hebben overschreden.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op het vermelden van de namen en functies van klagers is deze gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 juli 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, drs. P. Sijpersma, en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2001-25