2001/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

D.M. Dijkstra en T. de Kok

tegen

A. van Veen en de hoofdredacteur van Dagblad Rivierenland

Bij brief van 9 januari 2001 met drie bijlagen heeft mr. R.P. Sijbrandij, advocaat te Utrecht, namens D.M. Dijkstra en T. de Kok (klagers) een klacht ingediend tegen A. van Veen en de hoofdredacteur van Dagblad Rivierenland (verweerders). Hierop heeft A. Kalmann, adjunct hoofdredacteur, namens verweerders gereageerd in een brief van 16 februari 2001. Bij faxbericht van 3 mei 2001 is namens klagers nog een bijlage overgelegd, waarop Kalmann heeft geantwoord in een brief van 9 mei 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juni 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 5 en 20 december 2000 zijn in Dagblad Rivierenland twee artikelen van de hand van Van Veen verschenen onder respectievelijk de kop "Gehandicapte in clinch met Zederik" en "Invalide campingbewoner mogelijk naar Lexmond". De artikelen gaan over een conflict tussen klagers en de gemeente Zederik betreffende het toewijzen en verkrijgen van een aangepaste gemeentelijke huurwoning.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat in het artikel van 5 december 2000 ten onrechte is vermeld dat zij niet bij de burgerlijke stand van de gemeente Zederik konden worden ingeschreven. Klagers waren echter wel bij de burgerlijke stand ingeschreven, maar werden niet als woningzoekende geregistreerd omdat zij een vakantiewoning op een camping bewoonden. Daarnaast bevatten de artikelen nog andere onjuistheden, waaronder uitspraken van chef burgerzaken Van Dijk en wethouder Van den Berg.
Verder stellen klagers dat verweerders zich slechts hebben laten informeren door de gemeente Zederik en hebben nagelaten klagers in de gelegenheid te stellen te reageren.
Klagers betogen dat zij door de artikelen in een nog moeilijkere positie worden gebracht in hun conflict met de gemeente Zederik. De artikelen zijn derhalve voor hen onnodig kwetsend, aldus klagers.

Volgens verweerders zijn de diverse kanten van het huisvestingsprobleem van klagers in de artikelen belicht en is van eenzijdige berichtgeving geen sprake. Zij wijzen erop dat zij op het conflict zijn gewezen door de advocaat van Dijkstra, die kennelijk publiciteit zocht. Vervolgens heeft Van Veen uitgebreid contact gehad met De Kok en met andere bij de kwestie betrokkenen. Bovendien zijn de meest relevante passages van het eerste artikel voor publicatie voorgelezen aan klagers, die tevreden waren met het resultaat.
Verweerders erkennen dat in het artikel van 5 december 2000 is gemeld dat klagers niet bij de burgerlijke stand van Zederik waren ingeschreven, terwijl werd bedoeld dat zij niet als 'woningzoekenden' waren ingeschreven. Dit is ook rechtgezet in het vervolgartikel van 20 december 2000. De overige aanmerkingen van klagers betreffen niet relevante zaken dan wel uitlatingen van derden waarvan klagers de juistheid betwisten. Nadat De Kok telefonisch had laten weten dat ze het niet eens was met bepaalde citaten van derden, hebben verweerders aangeboden haar klachten in een ingezonden brief weer te geven. Van dat aanbod heeft zij echter geen gebruik gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens klagers zou sprake zijn van onjuiste, eenzijdige en grievende berichtgeving. Daargelaten of de misslag betreffende de inschrijving van klagers bij de burgerlijke stand van Zederik op zichzelf tot gegrondheid van de klacht had kunnen leiden, hebben verweerders deze fout op voldoende deugdelijke wijze rechtgezet in het artikel van 20 december 2000. Voor het overige heeft de Raad geen onjuistheden van betekenis kunnen vaststellen. Voorts kunnen de artikelen, bezien in hun context, niet als kwetsend jegens klagers worden beschouwd.
Verweerders hebben aangevoerd dat Dijkstra zelf - via zijn raadsman - de publiciteit heeft gezocht en dat De Kok door Van Veen is geraadpleegd, dat vervolgens het artikel van 5 december 2000 voorafgaand aan publicatie aan klagers is voorgelezen en dat De Kok ten slotte nog in de gelegenheid is gesteld door middel van een ingezonden brief te reageren. Deze stellingen zijn door klagers niet weersproken. Alle omstandigheden in aanmerking genomen kan derhalve niet worden geconcludeerd dat aan klagers onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden.
Aldus is de Raad van oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad Rivierenland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 juli 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mw. drs. B.L.W. Tillema en leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2001-24