2001/20 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

dr. J. Kamsteeg

tegen

de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau

Bij brief van 29 november 2000 met twee bijlagen heeft dr. J. Kamsteeg te Weert (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau (verweerder). Hierop heeft W.G. ten Brink, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 27 december 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 april 2001. Klager is daar verschenen, vergezeld van drs. T. de Graaf. Aan de zijde van verweerder is W.G. ten Brink verschenen.

DE FEITEN

Op 18 juli 2000 om 15.33 uur heeft verweerder een bericht verspreid onder de kop "Biochemicus claimt ontdekking nieuwe vrouwenziekte HPU". In het artikel wordt de publicatie aangekondigd van het boek "Hebt u HPU? De ontdekking van een vrouwenziekte." van drs. Toine de Graaf en drs. Hanneke van Rossum. Klager, biochemicus en verbonden aan het Klinisch Ecologisch Allergie Centrum in Weert (KEAC), heeft zijn medewerking verleend aan de totstandkoming van het boek. Het slot van het ANP-bericht luidt:
"HPU is volgens De Graaf en Kamsteeg goed te behandelen, door een kuur van vitamines en voedselsupplementen. ,,Genezen via ons dieet, daar wil haast niemand nog aan. Er zal dus wel met scepsis en hoon op gereageerd worden, ook al weten we al lang dat voedsel en gezondheid nauw samenhangen." Scepsis en hoon krijgen zij inderdaad van de Vereniging tegen Kwakzalverij. ,,Verschrikkelijk wat wordt beweerd", zegt voorzitter en arts C. Rencken. ,,Het zogenaamde instituut waar Kamsteeg aan verbonden is, is niets minder dan een kwakzalvershol. De man is geen arts, maar schrijft allerlei stukjes in die rare blaadjes van hem. Het is slechts bedoeld om de verkoop van de supplementen te stimuleren. Vandaar dat de klachten zo vaag worden gehouden: dan blijft de doelgroep lekker breed." Volgens Rencken bestaat de diagnose, noch de term HPU in de reguliere medische geneeskunde. ,,Het hele syndroom bestaat niet. Dit is moeilijk van oplichting te onderscheiden. Er worden weer eens een paar mensen met vage klachten op het verkeerde been gezet.""
Naar aanleiding van het bericht heeft klager direct contact opgenomen met ANP-verslaggever D.J. Stip. Het ANP heeft vervolgens op 18 juli 2000 om 17.08 uur een nieuw bericht verspreid met een korte reactie van klager op de uitlatingen van Renckens.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat C. Renckens zich in de eerste versie van het bericht bijzonder grievend en beledigend heeft uitgelaten jegens hem en het instituut waaraan hij is verbonden. Gezien de aard van deze uitspraken had verweerder wederhoor moeten toepassen en daartoe klager moeten benaderen. Weliswaar heeft verweerder later op de dag een nieuw bericht doen uitgaan, maar hij heeft daarbij niet vermeld dat het eerste bericht werd gecorrigeerd of ingetrokken. Bovendien heeft klager zelf het initiatief moeten nemen om aan verweerder zijn reactie kenbaar te maken. Klager betoogt dat door de handelwijze van verweerder schade is toegebracht aan zijn goede naam alsmede aan de goede naam het KEAC. In dit verband wijst hij erop dat zijn relaties voornamelijk in Limburg wonen en dat Dagblad De Limburger in de berichtgeving alleen gebruik heeft gemaakt van de eerste versie van het ANP-bericht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bericht in eerste instantie betrekking heeft op beweringen van onder andere klager over HPU. Volgens verweerder heeft wederhoor plaatsgevonden doordat aan Renckens is gevraagd te reageren op die beweringen. Renckens heeft gereageerd met scepsis en hoon, zoals door klager en De Graaf in hetzelfde bericht is voorspeld. Verder stelt verweerder dat klager direct na publicatie van het ANP-bericht kennis heeft genomen van de reactie van Renckens en daarover vervolgens telefonisch contact heeft gehad met verslaggever Stip. In dat gesprek deelde klager mee de aantijging van Renckens niet te nemen en kondigde hij aan stappen jegens Renckens te ondernemen. Deze 'reactie-op-een-reactie' is in een nieuwe versie van het bericht als laatste alinea toegevoegd en ongeveer 2,5 uur na de eerste versie verspreid. Zoals in dergelijke gevallen gebruikelijk is, is onder de kop van het tweede bericht de regel 'nieuw bericht, meer informatie' toegevoegd. Verweerder wijst erop, dat een en ander conform de gebruikelijke werkwijze van het ANP is geschied. Deze werkwijze houdt in dat snel een eerste versie van een bericht wordt verspreid, waarna aanvullingen volgen. Afhankelijk van de inhoud van een bericht volgt binnen 1,5 tot 2 uur de reactie van degene die in een bericht wordt genoemd. Verweerder meent dat in dit geval het principe van hoor en wederhoor correct en ruim is toegepast.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Zoals de Raad eerder heeft overwogen dient - in een geval waarin toepassing van hoor en wederhoor is geboden - uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is hoor en wederhoor is toegepast (vgl. SSH/Handep tegen Ouwerkerk en Cobouw, RvdJ 1999/68 en Hensen-Verkaik tegen De Hoop Magazine, RvdJ 2001/13).
Verweerder heeft zich niet op het standpunt gesteld dat jegens klager wederhoor niet geboden was. Hij heeft ter zitting erkend dat het ANP zich in beginsel aan dezelfde journalistieke regels dient te houden als andere schrijvende media. Waar het in deze zaak om draait, is dus of verweerder in dit geval had moeten afwijken van de door hem geschetste, gebruikelijke werkwijze van het ANP, die erop neerkomt dat de eerste versie van een nieuwsbericht zo snel mogelijk wordt verspreid en dat eventuele aanvullingen, waaronder reacties, in een aanvullend bericht worden opgenomen. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De in het gewraakte bericht opgenomen uitlatingen van de voorzitter van de Vereniging tegen Kwakzalverij stemmen in feite overeen met hetgeen klager, zoals in het bericht is vermeld, zelf van de zijde van de reguliere geneeskunde verwachtte als reactie op de publicatie van het boek in kwestie, te weten: scepsis en hoon. Dit in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat verweerder het beginsel van hoor en wederhoor ten opzichte van klager onvoldoende tot zijn recht heeft laten komen door eerst in de aanvullende versie van het bericht een reactie van klager op de verwijten van voorzitter genoemde verening op te nemen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in een ANP-bericht te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mw. C.E.J.M. Joosten, mw. mr. V. Keur, mw. J.A. Koerts en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-20