2001/2 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.H.M. Boerland

tegen

B. Ebisch (Dagblad De Limburger)

Bij brief van 1 september 2000 met zes bijlagen heeft J.H.M. Boerland te Venlo (klager) een klacht ingediend tegen B. Ebisch (verweerder). Hierop heeft verweerder gereageerd bij brief van 27 september 2000 met acht bijlagen onder begeleidend schrijven van G.M.J. Bouten, adjunct-hoofdredacteur van Dagblad De Limburger, van diezelfde datum.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 januari 2001. Klager is verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is verschenen, vergezeld van voornoemde Bouten.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 15 juli 2000 is in Dagblad De Limburger een artikel van de hand van verweerder verschenen met de kop "De duistere weg van Jan Boerland". De intro van het artikel luidt: "Blerickenaar Jan Boerland, een voormalig assistent-kanselier, ging na de moord op zijn echtgenote drinken, verloor zijn baan en raakte aan lager wal. De alcohol heeft Boerland inmiddels afgezworen. In een met veel publiciteit omgeven juridische strijd stelt hij zijn voormalige werkgever, het ministerie van Buitenlandse Zaken, verantwoordelijk voor alle ellende. Dagblad De Limburger volgde aan de hand van archieven, processen en gesprekken de bizarre levenswandel van Jan Boerland."

Bij brief van 17 juli 2000 heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt aan de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger, hem aansprakelijk gesteld en verzocht om namen van informanten en bronnen aan hem kenbaar te maken. In een brief van 20 juli 2000 heeft Bouten aansprakelijkheid van de hand gewezen en klagers verzoek afgewezen.
Per e-mail van 22 juli 2000 heeft klager zijn bezwaren aangevuld en verzocht deze aanvulling als ingezonden brief te publiceren. Bij brief van 26 juli 2000 heeft Bouten ook dit verzoek afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel feitelijke onjuistheden en niet-onderbouwde beschuldigingen bevat, waardoor hij in een zeer negatief daglicht wordt gesteld. Zo wordt ten onrechte gesuggereerd dat hij een homoseksuele relatie met een van zijn huisbedienden heeft gehad en dat de moord op zijn vrouw een daarmee verband houdende 'crime passionnel' is geweest. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op ondeugdelijke informatie en onbetrouwbare bronnen, aldus klager.
Hij betoogt dat met de publicatie zijn privacy, alsmede die van zijn dochters en vader, op niet aanvaardbare wijze is geschonden.

Verweerder wijst er allereerst op dat over klager in de afgelopen jaren veelvuldig is gepubliceerd en dat klager de publiciteit ook zelf heeft gezocht. Deze publicaties gaven aanleiding om een portret van klager te maken. Verweerder stelt dat hij in eerste instantie zoveel mogelijk feitelijke gegevens heeft vergaard. Daarna heeft hij zegslieden gesproken, waarvan de meeste in het artikel worden genoemd. Vervolgens heeft hij klager gesproken, die niet consistent was in zijn uitspraken, aldus verweerder.
Volgens hem is de vermeende homoseksuele relatie tussen klager en zijn huisbediende van invloed op het politie-onderzoek naar de moord op de echtgenote van klager en derhalve relevant. Tevens is van belang om een verband te leggen tussen het werk van klager en zijn drankgebruik. Verweerder meent dat de waarheid niet, omdat die pijnlijk is, hoeft te worden verzwegen en betwist dat de indruk van een 'crime passionnel' is gewekt. Hij stelt dat een aantal aan klager toegeschreven negatief te waarderen eigenschappen zijn opgetekend uit de mond van derden en dat in het artikel is vermeld dat klager inmiddels gestopt is met drinken.
Samenvattend stelt verweerder zich op het standpunt dat de toonzetting van het artikel voldoende zakelijk is en niet onnodig grievend.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het staat een journalist in beginsel vrij het onderwerp van zijn publicatie te bepalen. Bovendien heeft klager eerder zelf de publiciteit gezocht en details over zijn leven naar buiten gebracht. Hij heeft er derhalve rekening mee te houden dat ook negatieve, door hem ongewilde, publicaties over hem verschijnen. Dat betekent echter niet dat klager vogelvrij is.
De Raad is van mening dat in het gewraakte artikel op een weinig zakelijke, onevenwichtige en suggestieve wijze over klager is bericht. Enerzijds heeft verweerder over het alcoholgebruik van klager uitvoerig en in onnodig grievende bewoordingen verslag gedaan en daarbij diverse negatieve kwalificaties als 'stomdronken', 'laveloos', 'voor pampes liggen' en 'ladderzat' gebruikt. Ook wordt gesuggereerd dat klager betrokken zou zijn geweest bij de moord op zijn echtgenote, zonder dat te dien aanzien feiten worden gesteld, waartegen hij zich kan verweren. Anderzijds ontbreekt in het artikel elk begrip voor klagers situatie, die mogelijk het gevolg is van het ernstige misdrijf waarvan de echtgenote van klager het slachtoffer is geworden. De vraag die zich voordoet is of deze, naar het oordeel van de Raad meedogenloze, toon van het artikel is geoorloofd.
Van de journalist mag een grotere mate van evenwichtigheid worden verlangd naarmate een langere periode is verstreken, nadat in de publicatie gerapporteerde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, zulks mede met het oog op het belang van bij die gebeurtenissen betrokken personen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad in de klacht van E. van Geffen tegen Panorama, RvdJ 1980/7).
In het onderhavige geval is een groot aantal jaren verstreken na de in het artikel vermelde en voor klager zeer pijnlijke gebeurtenissen, variƫrend van dertien jaren sinds de moord op klagers echtgenote tot vijf jaren sinds zijn vertrek bij Buitenlandse Zaken. Mede in dit licht komt de Raad tot de conclusie dat met de toonzetting van het artikel grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. A. Herstel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-02