2001/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

ir. P.M. Vrijlandt

tegen

de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander

Bij brief van 5 april 2001 met een bijlage heeft ir. P.M. Vrijlandt te Hilversum een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander (verweerder). Hierop heeft J.H. van Zenderen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 12 april 2001. Klager heeft zijn klacht uitgebreid bij brief van 13 april 2001, waarop verweerder heeft geantwoord in een brief van 27 april 2001. Ten slotte heeft klager zijn standpunten nog toegelicht bij brief van 30 april 2001.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 13 maart 2001 heeft de Raad uitspraak gedaan in de zaak van klager tegen M. Vlaanderen en J.H. van Zenderen (RvdJ 2001/07). Deze klacht betrof een op 12 juli 2000 in de Gooi- en Eemlander verschenen artikel van de hand van Vlaanderen. Dit artikel, met de kop "VVD lauw over debat busbanen" bevat een verslag van een vergadering van de Hilversumse afdeling van de VVD. Volgens klager kwamen in het artikel een beledigende passage en enkele onjuistheden voor. Wat betreft de beledigende passage concludeerde de Raad: "Dientengevolge is een opiniƫrende voor klager beledigende tekst vermengd met een verslag, waardoor onvoldoende duidelijk wordt dat het hier om een persoonlijke opvatting van de journalist gaat." Op dit punt was de klacht gegrond, en voor het overige ongegrond. Zoals gebruikelijk heeft de Raad aan verweerders verzocht de uitspraak integraal of in samenvatting in De Gooi- en Eemlander te publiceren.
Op 27 maart 2001 publiceerde De Gooi- en Eemlander een artikel over de uitspraak met de kop "Verslaggever mag Vrijlandt geen dwaallicht noemen. Raad voor de Journalistiek doet uitspraak." In het artikel wordt uitgebreid aandacht besteed aan het onderdeel van de klacht dat gegrond werd verklaard.
Vervolgens is in de Gooi- en Eemlander van 7 april 2001 een column van de hand van R. Mienstra verschenen onder de kop "Dwaallicht". Deze column handelt ook over de uitspraak van de Raad van 13 maart.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de uitspraak van de Raad in het artikel van 27 maart 2001 op een ondeugdelijke en tendentieuze manier is weergegeven. Volgens klager heeft verweerder verzuimd te vermelden dat de klacht tevens was gericht tegen Vlaanderen. Bovendien rept dit artikel alleen over de kwalificatie "politiek dwaallicht" en niet over de belediging dat "zijn (klagers) hele buik eruit hing", zoals in de uitspraak wordt vermeld. Verder wordt ten onrechte niet vermeld welke onwaarheden het artikel van 12 juli 2000 bevatte.
Met betrekking tot de column van 7 april stelt klager dat daarin op pesterige en onheuse wijze aandacht aan de zaak wordt gegeven.

Volgens verweerder is Vlaanderen niet genoemd omdat dit niet relevant was. Bovendien beschikte hij niet over het verweer van Vlaanderen, terwijl zijn eigen verweer - voor het relevante deel - bij de tekst van het artikel is betrokken.
Wat betreft de door klager opgesomde onjuistheden in zijn aanvankelijke klacht is de uitspraak van 13 maart duidelijk, aldus verweerder. Hij wijst op het artikel van 27 maart waarin tot slot is vermeld: "Over de klacht van Vrijlandt dat het gewraakte artikel feitelijke onjuistheden zou bevatten, spreekt de Raad zich niet uit, omdat zij dat op basis van de voorgelegde stukken niet kan beoordelen." Dit rechtvaardigt de keuze van verweerder om er niet nader op in te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft allereerst de berichtgeving over de uitspraak van de Raad van 13 maart 2001. De Raad heeft eerder overwogen dat indien een uitspraak niet integraal wordt gepubliceerd maar in samenvatting, deze samenvatting een evenwichtige weergave van de uitspraak moet zijn (vgl. X tegen de Volkskrant, RvdJ 1996/8). Hiervan is in het onderhavige geval sprake. In het bericht is ruim aandacht besteed aan het gegrond bevonden onderdeel van de klacht, waarbij de standpunten van beide partijen en de motivering van de Raad zijn besproken. Verweerder heeft aldus op redelijke wijze gevolg gegeven aan het verzoek tot publicatie van de uitspraak.

Wat betreft de column van 7 april overweegt de Raad, in de lijn van eerdere uitspraken, dat aan een columnist de vrijheid toekomt om een persoonlijk oordeel over nieuwsfeiten of andere zaken te geven. Overdrijving en eenzijdige belichting behoren tot de gebruikelijke middelen van de columnist en zijn als zodanig niet ontoelaatbaar (vgl. onder meer: Huibers tegen Hemelrijk, RvdJ 2001/05). Het is duidelijk dat de gewraakte column de persoonlijke mening van de journalist bevat en dat deze zich niet onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Van schending van enige journalistieke norm is geen sprake.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, drs. P. Sijpersma, en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2001-19