2001/18 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. A. Scheurwater

tegen

de hoofdredacteur van De Dordtenaar

Bij brief van 15 februari 2001 met zeven bijlagen heeft mr. A. Scheurwater te Hendrik-Ido-Ambacht, een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Dordtenaar (verweerder). Hierop heeft H. Kerstiens, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 28 februari 2001. Klager heeft de klacht nog nader toegelicht bij brief van 3 maart 2001 en van 4 april 2001 met vijf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 mei 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In De Dordtenaar van 2 februari 2001 is een artikel verschenen onder de kop "'Scheurwater toch terecht ontslagen'". De aanvang van het artikel luidt:
"Voormalig secretaris-rentmeester van waterschap IJsselmonde mr. A. Scheurwater is in september vorig jaar terecht ontslagen. Dat is het oordeel van de hoor- en adviescommissie, dat gisteren door het algemeen bestuur van het waterschap is overgenomen."
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
"In zijn rol als adviseur heeft Scheurwater het dagelijks bestuur van het waterschap geadviseerd dit geld (dat het waterschap bij een aannemer in rekening had gebracht) maar niet te innen omdat de gerechtelijke kosten om het binnen te krijgen te hoog zouden uitvallen. Bovendien zou het waterschap moeilijk kunnen bewijzen dat het bedrijf alle stenen had gekregen die in rekening waren gebracht. Die raad werd opgevolgd."
Bij brieven van 5 en 8 februari 2001 heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel aan verweerder kenbaar gemaakt en verzocht de brief van 5 februari als ingezonden brief te plaatsen. Hierop is klager uitgenodigd voor een gesprek, welke uitnodiging hij uiteindelijk heeft afgewezen. Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet geleid tot een oplossing.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Allereerst betoogt klager dat in het artikel ten onrechte niet is vermeld dat de adviescommissie van het waterschap heeft aanbevolen wachtgeld aan hem toe te kennen. Klager acht dit van belang, omdat daarmee zijn 'schuld' aan bepaalde feiten voor de commissie kennelijk niet vaststaat.
Hij stelt verder dat de passage over het door hem aan het waterschap verstrekte advies onjuist is. Klager heeft destijds aan het waterschap te kennen gegeven dat de gerechtelijke kosten volgens hem lager zouden zijn dan het te innen bedrag. Een advies, zoals is weergegeven, heeft hij nooit gegeven, hetgeen blijkt uit een rapport dat hij op 10 januari 2001 aan verweerder heeft doen toekomen. Overigens heeft hij het waterschap geadviseerd in zijn functie als secretaris-rentmeester.
Ten slotte stelt klager dat ten onrechte geen wederhoor heeft plaatsgevonden. Aangezien het artikel een ernstige beschuldiging bevat, had verweerder klager de gelegenheid moeten bieden daarop te reageren. Vervolgens heeft hij een ingezonden brief gestuurd, maar heeft verweerder geweigerd die brief te plaatsen, aldus klager.

Verweerder stelt dat hem niet duidelijk geworden is, welke bezwaren klager heeft tegen de gewraakte berichtgeving. Weliswaar heeft klager een ingezonden brief gestuurd, maar deze was onbegrijpelijk en kon daarom niet zonder toelichting worden geplaatst, aldus verweerder. Hij heeft klager begin februari uitgenodigd voor een gesprek om zijn brief te verduidelijken. Nadat klager de uitnodiging had geaccepteerd, heeft hij echter in tweede instantie laten weten geen behoefte te hebben aan een persoonlijk onderhoud. Verweerder meent dat hem geen verwijt treft, nu klager geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om duidelijk te maken, wat er schort aan de berichtgeving.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
a. het ten onrechte niet vermelden van het advies tot wachtgeldtoekenning;
b. het niet plaatsen van klagers ingezonden brief;
c. onjuiste berichtgeving over klagers rol betreffende het innen van een rekening.

Het artikel gaat over het ontslag van klager. De toekenning van wachtgeld hangt over het algemeen samen met de vraag of de betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, dat wil zeggen of hij 'schuld' heeft aan zijn ontslag. In zoverre kan informatie over een advies tot wachtgeldtoekenning relevant zijn. De door hem overgelegde stukken bieden echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat aan het bestuur van het waterschap is geadviseerd om klager wachtgeld toe te kennen. Onderdeel a. van de klacht is reeds om die reden ongegrond.

Ter zake van onderdeel b. volgt de Raad verweerder in zijn betoog dat klagers ingezonden brief zonder nadere verklaring niet goed begrijpelijk is. Dat verweerder die brief niet zonder uitleg heeft willen plaatsen is derhalve niet ontoelaatbaar. De uitnodiging tot een gesprek bood klager de mogelijkheid zijn brief te verduidelijken. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt. Gelet op het voorgaande, concludeert de Raad dat verweerder bereid was om het verhaal van klager in een duidelijke context te plaatsen en dat klager onvoldoende gebruik heeft gemaakt van hem geboden gelegenheid tot weerwoord. Ook op dit punt kan de klacht niet slagen.

Onderdeel c. van de klacht is wel gegrond. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat klager het bestuur van het waterschap heeft geadviseerd een rekening niet te innen. Het bericht van die strekking heeft dan ook onvoldoende feitelijke grondslag. De stelling van klager dat hij voorafgaand aan de publicatie verweerder hierover schriftelijk heeft geïnformeerd is bovendien door verweerder niet weersproken. Door niettemin over deze kwestie te berichten, zoals hij heeft gedaan, heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, aanvaardbaar is.

BESLISSING

Wat betreft onderdeel c. is de klacht gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Dordtenaar te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, drs. P. Sijpersma, en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2001-18