2001/13 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R. Hensen-Verkaik

tegen

de hoofdredacteur van De Hoop Magazine

Bij brief van 4 december 2000 met vijf bijlagen heeft R. Hensen-Verkaik te Rotterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Hoop Magazine (verweerder). Hierop heeft mr. C.L. van Dam, directeur juridische zaken, namens verweerder gereageerd bij brief van 27 december 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2001. Klaagster is daar verschenen, vergezeld van haar echtgenoot, C. Hensen. Namens verweerder is J. van den Hoek-Faber verschenen. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, hebben partijen getracht tot een voor beiden bevredigende oplossing van het gerezen geschil te komen. Partijen zijn daarin echter niet geslaagd.

DE FEITEN

In november 2000 is in De Hoop Magazine een artikel van de hand van Jolanda Faber verschenen onder de kop "Peter kiest voor leven". De intro van het artikel luidt:
"Het leven van Peter (29) heeft zich tot voor kort gekenmerkt door het gebruik van allerlei verslavende middelen. De combinatie van drugs, alcohol, gokken en een zoektocht in het occultisme leidde ertoe dat hij last kreeg van psychoses. In zijn angst riep hij het uit naar God. Via een vriend kwam hij uiteindelijk bij De Hoop terecht, waar hij definitief besloot voor het leven te kiezen."
Het artikel bevat onder meer het volgende aan Peter toegeschreven citaat:
"Toen ik achttien werd, gaf ik thuis een groot feest dat drie nachten duurde. Iedereen was onder invloed van drugs of drank, inclusief mijn familie."
Klaagster, de moeder van Peter, heeft kort na het verschijnen van het artikel telefonisch haar bezwaren tegen het artikel aan verweerder kenbaar gemaakt.
Hierop heeft drs. F.S.L. Koopmans, Hoofd Public Relations & Preventie, in een brief van 9 november 2000 aan klaagster meegedeeld:
"We onderkennen dat het verhaal van Peter nadrukkelijk vanuit zijn belevingswereld is verteld en geschreven. Dat dat eenzijdigheden met zich mee kan brengen, kunnen wij niet uitsluiten. (...) Het kenmerk van een interview is en blijft echter nu eenmaal dat het gevoelens en overwegingen van de geïnterviewde weergeeft. Daar u aangeeft dat zaken anders zijn geweest, willen wij u graag - zoals ik dat u ook heb gezegd in ons gesprek - de gelegenheid bieden om in het volgende magazine uw zijde van het verhaal te belichten. We hopen dat u daartoe bereid bent. Als dat zo is, maakt ondergetekende graag een afspraak met u."
Klaagster heeft hierop gereageerd bij brief van 20 november 2000 met het verzoek die reactie te publiceren. Vervolgens heeft verweerder in een brief van 24 november 2000 voorgesteld een door hem opgestelde tekst op te nemen in het volgende nummer van De Hoop Magazine. Bij schrijven van 30 november 2000 heeft klaagster verweerder laten weten, dat zij zich niet in de voorgestelde tekst kan vinden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel zonder haar medeweten en toestemming is geplaatst. Het hele gezin van klaagster is ongevraagd in de berichtgeving betrokken. Bovendien heeft verweerder de informatie van Peter niet op waarheid getoetst. Volgens klaagster is sprake van onjuiste en eenzijdige berichtgeving. Met name zijn de gebeurtenissen rond Peters achttiende verjaardag incorrect weergegeven. In de desbetreffende passage worden klaagster en haar gezin beschuldigd van drugs- en drankmisbruik. Verweerder had in ieder geval op dit punt wederhoor moeten toepassen.
Voorts is door het artikel de privacy van klaagster en die van haar gezin geschonden. Klaagster wijst erop dat zij door personen uit haar omgeving op het artikel is aangesproken.
Ten slotte stelt zij dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd haar brief te plaatsen, waardoor zij niet in haar eigen bewoordingen op het artikel heeft kunnen reageren.

Allereerst wijst verweerder op zijn correspondentie met klaagster, waarin hij stelt dat het artikel vanuit Peters belevingswereld is verteld en geschreven. Peter heeft het verhaal voor publicatie gelezen en gecorrigeerd, en vervolgens ingestemd met de inhoud ervan. Het verhaal bevreemdde verweerder niet dermate dat hij reden had te twijfelen aan de waarheid van Peters woorden. Het is niet de bedoeling dat door een dergelijk interview mensen bewust worden gekwetst of dat de oorzaak van een verslaving wordt afgeschoven op de omgeving van de ex-verslaafde, aldus verweerder. Volgens hem is hiervan in het artikel geen sprake. Bovendien komt uit het artikel mede de strijd naar voren die de familie had toe zij Peter zag wegzakken in zijn verslaving.
Nadat klaagster had laten blijken dat het artikel volgens haar onjuistheden bevat, is haar - zo stelt verweerder - aangeboden om via een interview haar visie op de feiten te geven. Zij is daar niet op ingegaan, maar heeft in plaats daarvan in haar brief van 20 november 2000 een tekstvoorstel gedaan en het daarop volgende tekstvoorstel van verweerder verworpen. Volgens Van den Hoek-Faber plaatst zij een rectificatie als blijkt dat een artikel in strijd is met de feiten. Pas ter zitting is haar duidelijk geworden welke onjuistheden het artikel naar de mening van klaagster bevat.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel worden klaagster en haar gezin beschuldigd van overmatig drank- en drugsgebruik. Zoals namens verweerder ter zitting is erkend, is dit een ernstig verwijt. De Raad heeft diverse keren overwogen dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid houdt in het algemeen onder meer in het toepassen van wederhoor. De aard van de publicatie - uitlatingen van een geïnterviewde - maakt dat niet anders (vgl. onder meer: Elias tegen Schoorl en de Volkskrant, RvdJ 2000/65; Martinair tegen Panorama, RvdJ 1999/64).
Voorts heeft de Raad eerder overwogen dat - voor zover toepassing van hoor en wederhoor is geboden - uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is wederhoor is toegepast (vgl. SSH/Handep tegen Ouwerkerk en Cobouw, RvdJ 1999/68).
Verweerder heeft gehandeld in strijd met deze normen, terwijl is gesteld noch gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerder rechtvaardigen. Hij heeft derhalve de grenzen overtreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Hoop Magazine te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 mei 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, mw. C.D. Smolders en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-13