2001/12 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

prof. dr. H.M. Buck

tegen

de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 1 december 2000 met dertien bijlagen heeft prof. dr. H.M. Buck te Tilburg (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Parool (verweerder). Hierop heeft F. Campagne, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 1 februari 2001 met als bijlage een reactie van P. Vermij op de klacht. Klager heeft zijn klacht toegelicht en uitgebreid in een brief van 9 februari 2001 met een bijlage. Vervolgens heeft hij op het verweer gereageerd in twee brieven van 19 februari 2001 met twaalf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2001 in aanwezigheid van klager. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 15 september 1990 is in Het Parool een artikel van de hand van P. Vermij verschenen onder de kop "De wetenschappelijke methode van H.M. Buck." Het artikel betreft de geruchtmakende verwikkelingen rond klagers onderzoek naar wat in april 1990 werd aangekondigd als een aidsmedicijn (fosfaatgemethyleerd DNA).
Voorafgaand aan de verschijning van dit artikel heeft Vermij bij herhaling doch tevergeefs langs verschillende wegen getracht met klager in contact te treden teneinde diens visie op de zaak te vernemen.
Op 4 december 1990 heeft Vermij het volgende aan klager geschreven:
"Vandaag of morgen zal, zoals U wellicht bekend is, een nieuw en uitgebreid onderzoekrapport naar buiten komen over de gebeurtenissen die zich de laatste jaren in de faculteit Scheikundige Technologie en de vakgroep Organische Chemie hebben afgespeeld.
Zoals U wellicht ook weet heeft onze krant de verwikkelingen rond Uw onderzoek, en de betrokkenheid daarbij van onder meer de firma Organon, op de voet gevolgd. Door gesprekken met talloze betrokkenen ben ik intussen goed ingevoerd in vele details van de zaak.
Helaas echter ben ik er tot nu toe niet in geslaagd met U in contact te komen, teneinde U in de gelegenheid te stellen Uw kant van het verhaal voor het voetlicht te brengen. Wel heb ik intussen uitgebreid gesproken met de heer Van Mierlo, die mij duidelijk maakte dat nog het een en ander onvermeld is gebleven.
Graag zou ik U alsnog in staat stellen Uw critici in onze krant van repliek te dienen. Ik zou het bijzonder op prijs stellen wanneer U daartoe contact met mij zou willen opnemen. Over vorm en tijdstip van een en ander zouden we dan kunnen overleggen."
Klager heeft op deze brief niet gereageerd. Eerst op 12 juli 1999 neemt hij telefonisch contact op met H. van Maanen, chef redactie wetenschap van Het Parool. In een brief van dezelfde datum aan Van Maanen dringt klager, die zich op het standpunt stelt dat Vermij heeft verzuimd hoor en wederhoor toe te passen bij het artikel van 15 september 1990 "waarin ik door Quaedflieg (!) [ir. P. Quadflieg was destijds een van de promovendi van Buck] vergeleken word met Ceausescu en van Boom begint met de fraude te introduceren", aan op een rectificatie in Het Parool.
Vermij, dan al niet meer in dienst van Het Parool, schrijft in reactie op de brief van 12 juli 1999 op 19 juli 1999 onder meer aan klager:
"Voorts refereert u aan een brief die ik schreef op 4 december 1990, na het uitkomen van het rapport van de Commissie-Koumans, waarin ik u uitnodig te reageren op de conclusies van dat rapport. In uw ogen kwam deze uitnodiging als mosterd na de maaltijd, en had ik u voor 15 september 1990 om een reactie moeten vragen.
Om de situatie van destijds te verduidelijken, een paar herinneringen.
Toen er, kort na de publicatie in Science, de persconferentie en de grote belangstelling in de media, kritische vragen over uw werk naar boven kwamen, reageerden zowel uzelf als uw woordvoerders met een abrupte informatiestop. U wilde mij niet meer te woord staan - discussies over het onderzoek hoorden niet thuis in de publieke media, maar in wetenschappelijke fora, kreeg ik via uw woordvoerders te horen. Via-via viel bovendien te vernemen dat u was verhuisd naar een mij onbekend adres en een geheim telefoonnummer had genomen. Met u in contact komen werd daarmee een ingewikkelde zaak.
Daar kwam bij dat de kern van het verhaal van 15 september 1990 was, dat u door stelselmatige intimidatie (aldus ook de Commissie-Koumans) uw promovendi tot dan toe de mond had gesnoerd. U zelf daarentegen was overvloedig in de media aan het woord geweest. Zoals de aanhef ook vermeldde, bevatte het artikel één kant, namelijk de ándere kant, van het verhaal. Het kwam tot stand op basis van gesprekken met vele personen, waaronder alle relevante promovendi die op dat moment in het lab werkzaam waren geweest. De inhoud van het stuk is door verscheidene personen op feitelijke juistheid gecontroleerd. De aard van het stuk, ten slotte, impliceerde voor elke lezer dat u de erin vermelde ervaringen en uitspraken niet zou onderschrijven.
Deze en andere overwegingen leidden ons destijds tot de conclusie dat het bij dit stuk te billijken was dat uw commentaar niet onmiddellijk werd bijgevoegd. Natuurlijk was dat geen wet van Meden en Perzen: achteraf kan ik mij ook voorstellen dat de beslissing anders was uitgevallen, en dat ik toch had geprobeerd u al voor 15 september 1990 op te sporen en te verleiden tot commentaar. Dat u achtenhalf jaar hebt gewacht met een reactie op mijn uitnodiging van een paar maanden later, stemt mij nu overigens niet optimistisch over mijn toenmalige kansen.
Dat de zaak voor u persoonlijk uiteindelijk grote gevolgen heeft gehad, realiseer ik mij terdege. Ik kan mij ook voorstellen dat u diep bent geraakt door de woordkeus van een uwer promovendi, die de verhoudingen in de vakgroep vergeleek met een destijds actueel totalitair systeem.
Persoonlijk ben ik van mening dat de tekening die het bewuste artikel vergezelde deze vergelijking een onnodig zwaar gewicht gaf. Een verslaggever is echter zelden in de positie om voor te schrijven op welke manier zijn verhaal wordt geïllustreerd.
Concluderend zie ik in uw brief geen aanleiding, voor mijzelf noch voor Het Parool, om tot 'rectificatie' over te gaan. Nieuwe feiten blijven, zoals gezegd, welkom - maar of die tot een nieuwe publicatie zullen leiden valt op voorhand moeilijk te voorspellen."
Bij brief van 28 juli 1999 stuurt klager Van Maanen een aantal stukken. Tevens herhaalt hij zijn verzoek tot rectificatie. Klager licht zijn standpunt nog enige malen verder toe. In een brief van 6 augustus 1999 geeft hij voorts aan Van Maanen te kennen, dat het opsturen van materiaal zonder toelichting naar zijn mening tot vertraging zal leiden.
In een brief van 17 maart 2000 reageren Van Maanen en Vermij gezamenlijk op de brieven van klager. Zij besluiten deze brief als volgt:
"De uitnodiging om ons eventuele nieuwe informatie te verstrekken, blijft natuurlijk van kracht. Wij geven er echter de voorkeur aan de relevantie van zulk materiaal eerst zelfstandig te onderzoeken, alvorens in te gaan op een uitnodiging tot een persoonlijk gesprek."
Op 12 april 2000 verschijnt in Het Parool een artikel van de hand van H. van Maanen onder de kop "De bedrogen wetenschap". De intro van dit artikel luidt:
"Wat begon als doorbraak in het aids-onderzoek, ontaardde binnen twee dagen in een 'voorbarige' claim. Een paar weken later werd het een 'aan fraude grenzend' geval, en het eindigde met de complete onttakeling van een tirannieke hoogleraar. Precies tien jaar geleden ontbrandde de affaire-Buck. Hebben we in de tussentijd iets geleerd?"
In een artikel onder de kop "'Aidsprof' Buck haalt na tien jaar zijn gram op Het Parool" doet Van Maanen op 1 februari 2001 mededeling van het feit dat klager bij de Raad een klacht heeft ingediend tegen Het Parool en onder meer rectificatie eist van een ruim tien jaar oud artikel waarin een medewerker hem met de Roemeense dictator Ceausescu vergelijkt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt voorop dat het artikel uit 1990 in wezen wordt herhaald in het artikel van 12 april 2000 en dat zijn klacht om die reden tegen beide artikelen is gericht. De berichtgeving is feitelijk onjuist en suggestief, omdat alleen de negatieve aspecten van zijn onderzoek worden vermeld en hij wordt afgeschilderd als een fraudeur en dictator. Zo wordt onder meer de Leidse hoogleraar organische chemie prof. dr. J.H. van Boom aan het woord gelaten, die de door klager gestelde positieve uitkomsten van het onderzoek betwist. Uit wetenschappelijke publicaties volgt echter dat het onderzoek ook positieve aspecten heeft, aldus klager. Hij heeft bovendien aangeboden een 20-tal spectra (chemische verbindingen) met Vermij en Van Maanen te bespreken. Ten onrechte hebben zij dit aanbod afgewezen en voorgesteld dat klager (de grafische weergave van) die spectra zou opsturen. Klager meent dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld de spectra eerst persoonlijk toe te lichten, vanwege het technisch karakter en de betekenis ervan.
Ten slotte stelt klager dat hij niet eerder op het artikel uit 1990 heeft gereageerd, omdat hij daar toentertijd emotioneel niet toe in staat was. Beide artikelen hebben nog steeds een negatieve uitwerking. Het is voor hem van belang dat alsnog gehoor wordt gegeven aan zijn verzoek tot rectificatie, met welk verzoek hij blijkens de daarop ter zitting gegeven toelichting bedoelt dat hem de gelegenheid zal worden geboden in Het Parool zijn visie op 'de affaire' te geven.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet verplicht is melding te maken van mogelijke positieve resultaten van het onderzoek van klager. Voor zover de klacht uitspraken van geïnterviewde personen betreft, stelt hij dat deze uitspraken nooit zijn bestreden of herroepen, en kennelijk correct zijn weergegeven. Er zou wellicht aanleiding zijn geweest om op de kwestie terug te komen als uit de spectra iets was gebleken dat totnogtoe onbekend of onderbelicht is gebleven. Klager is echter niet ingegaan op de uitnodiging om die spectra op te sturen. Aldus blijft volgens verweerder onduidelijk hoe aan de grieven van klager tegemoet kan worden gekomen, of meer in het algemeen waar de grenzen van de journalistieke betamelijkheid zijn overschreden.
Verder verwijst verweerder naar de reactie van Vermij. Deze meent dat er alleen reden is voor een rectificatie als blijkt dat belangrijke feiten onjuist zijn weergegeven, en dat voor rectificatie na tien jaar zulke onjuistheden van grote betekenis moeten zijn. Klager heeft niet aangetoond dat de berichtgeving onjuistheden bevat, de berichtgeving berust op degelijk journalistiek onderzoek, en de feitelijke nauwkeurigheid is naderhand door onafhankelijke derden bevestigd, aldus Vermij.
Ten slotte sluit verweerder zich aan bij Vermij, die meent dat de Raad "een redelijke verjaringstermijn (zou) moeten instellen waarbinnen een klager zich dient te melden".

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het belang van een behoorlijke klachtenbehandeling, en dus het belang van zowel klager als verweerder, brengt mee dat het tijdsverloop tussen een bepaalde publicatie en het indienen van een op die publicatie betrekking hebbende klacht zo beperkt mogelijk dient te blijven. Het 'Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek' kent geen termijn waarbinnen een klacht moet zijn ingediend. Het is ook niet aan de Raad bij wijze van algemene regel zo'n termijn te stellen. Niet uitgesloten is echter dat op grond van het tijdsverloop moet worden geoordeeld, dat het krachtens artikel 2 lid 2 onder d van het Reglement vereiste rechtstreeks belang van klager bij een oordeel van de Raad ontbreekt of dat de behandeling van het klaagschrift niet met de vereiste grondigheid kan geschieden. In beide gevallen blijft dan een oordeel over de klacht achterwege.
De Raad zal, ondanks het grote tijdsverloop, ook de klacht over het artikel van 15 september 1990 beoordelen. Enerzijds vanwege de verwevenheid van die klacht met de klacht gericht tegen het artikel van 12 april 2000, welk artikel de aanleiding heeft gevormd voor het alsnog indienen van de klacht tegen het artikel van 15 september 1990, anderzijds vanwege het feit dat niet gebleken is dat verweerder in enig opzicht door het tijdsverloop is bemoeilijkt in zijn verweer.

Klager heeft in zijn klaagschriften - en in de daaraan voorafgegane, deels onder de feiten vermelde correspondentie met Het Parool - bij herhaling te kennen gegeven dat hij met name op een drietal punten rectificatie verlangt:
a) het negatieve beeld dat geschetst is van de resultaten van het onderzoek naar fosfaatgemethyleerd DNA,
b) de vergelijking met Ceausescu,
c) het verwijt van wetenschappelijke fraude, zoals verwoord door Van Boom, die suggereerde dat het afgebeelde spectrum in Science verzonnen is.
Ter zitting is gebleken dat deze 'eis tot rectificatie' slechts betrekking heeft op de punten a) en c) en, tegen de achtergrond van het verwijt dat ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, zo moet worden opgevat dat klager alsnog in de gelegenheid gesteld wil worden in Het Parool uiteen te zetten wat de betekenis is geweest en ook thans nog is van het destijds onder zijn leiding in Eindhoven verrichte onderzoek naar fosfaatgemethyleerd DNA. Van de Raad wordt dus niet een oordeel gevraagd met betrekking tot de vraag of er voldoende grond bestond voor het schetsen van dat negatieve beeld en het publiceren van het verwijt van wetenschappelijke fraude.

De klacht dat met betrekking tot het artikel van 15 september 1990 ten onrechte is verzuimd hoor en wederhoor toe te passen is ongegrond. Zoals onder de feiten is vermeld, heeft Vermij voorafgaand aan de publicatie bij herhaling tevergeefs getracht in verband met de zich rond het 'aidsmedicijn' ontwikkelende affaire in contact te treden met klager. Nu klager dat contact zelf destijds om welke reden dan ook geheel uit de weg is gegaan of onmogelijk heeft gemaakt, kan hij zich er niet over beklagen dat Vermij tot publicatie is overgegaan zonder kennis te hebben genomen van zijn kant van het verhaal. De Raad acht niet aannemelijk dat klager het stilzwijgen van zijn kant zou hebben verbroken als Vermij zich vóór 15 september 1990 en niet eerst op 4 december 1990 schriftelijk tot hem zou hebben gewend. Het is begrijpelijk dat de vergelijking met de in 1989 gevallen Roemeense dictator Ceausescu, die in het artikel door een van de promovendi wordt gemaakt, bij klager op weerstand stuit. Uit het zinsverband is echter duidelijk dat de naam van Ceausescu slechts bij wijze van overdrijving genoemd wordt ter illustratie van de bewering dat klagers controle over het laboratorium praktisch waterdicht was, en niet om aan te geven dat zijn gedrag ten opzichte van zijn medewerkers ook werkelijk enige gelijkenis met dat van Ceausescu zou vertonen. Met de publicatie van deze toch wel enigszins twijfelachtige vergelijking zijn gelet op de context geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Ook de klacht inzake het artikel van 12 april 2000 is ongegrond. Als een journalist ten behoeve van een artikel put uit een eerder verschenen artikel waarover niet is geklaagd, ontslaat hem dat in het algemeen niet van de plicht tot het toepassen van wederhoor (vgl. Van Julsingha tegen Korver, Couwenhoven en De Telegraaf, RvdJ 1998/19). Van Maanen heeft zich echter niet in strijd met deze regel gedragen. In de correspondentie tussen klager enerzijds en Van Maanen en/of Vermij anderzijds is immers van de zijde van de beide journalisten benadrukt dat zij openstonden voor feiten die een nieuw licht op een oude zaak kunnen werpen. "Wanneer u meent, in de vorm van originele spectra of ander materiaal, over informatie te beschikken die de kennis over het gebeurde bij mij en mijn lezers belangrijk kan verhelderen of veranderen, dan ontvang ik graag een kopie, zodat een en ander goed kan worden uitgezocht.", aldus Vermij in diens brief van 19 juli 1999. Klager heeft weliswaar nadere informatie verstrekt, maar niet de bedoelde spectra. Als verklaring voor dit laatste gaf hij dat die spectra toelichting behoefden, welke toelichting "vanwege het technisch karakter en de consequenties ervan" allereerst door hemzelf diende te geschieden. De brief van Van Maanen en Vermij van 17 maart 2000, waarvan het slot onder 'De feiten' is vermeld, heeft daarin geen wijziging gebracht. Onder deze omstandigheden, en in aanmerking genomen dat klager vele jaren heeft laten verstrijken alvorens voor het eerst bezwaar te maken tegen een artikel waarin een reeks (nauw betrokken) informanten hun negatieve licht laten schijnen op het onderzoek van klager en diens functioneren als hoofd van de DNA-onderzoeksgroep, kan aan Van Maanen niet het verwijt worden gemaakt dat hij uit het artikel van 15 september 1990 heeft geput zonder ruimte te bieden aan klagers visie op de kwestie.

Dat het artikel van 1 februari 2001 niet inhoudt dat de bij de Raad ingediende klacht zich mede richt tegen het artikel van 12 april 2000, kan ten slotte evenmin leiden tot het oordeel dat gehandeld is in strijd met enige regel van behoorlijke journalistiek.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 mei 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, mw. C.D. Smolders en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-12