2001/10 ongegrond

?

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Bloemsma

tegen

de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia

Bij brief van 22 november 2000 met twee bijlagen heeft J. Bloemsma te Lemelerveld (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (verweerder). Hierop heeft A.J. te Velthuis, lezersredacteur, namens verweerder gereageerd bij brief van 20 december 2000 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2001 buiten aanwezigheid van partijen.

?

DE FEITEN

Op 8 november 2000 is in De Twentsche Courant Tubantia een artikel verschenen onder de kop "Bellenblazen om een oude maalderij." In het artikel wordt verslag gedaan van een kort geding inzake een geschil over de overname van een maalderij in Overijssel. Het artikel bevat onder meer de passages:
"De achtergrond van het geschil is bizar. De broers runnen zeepfabriekje Dutch Detergents International (DDI) en werden deze zomer betrapt op illegale 'waspraktijken'. Deurwaarders, geholpen door agenten, deden een inval in het complex. Dat gebeurde op verzoek van wasmiddelengrootmacht Henkel."
en
"Advocaat mr. Munk van de eigenaar verwees naar de 'problemen' met Henkel. (...) Gewezen werd op de vertragingstactiek die de broers eerder dit jaar zouden hebben toegepast om het pand vooral maar niet te hoeven kopen."

Nadien verscheen in De Twentsche Courant Tubantia een artikel onder de kop "Maalderij moet worden verkocht." In dit artikel wordt eveneens verwezen naar het geschil tussen DDI en Henkel.

?

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De kwestie tussen DDI en Henkel heeft volgens klager - mede-eigenaar van DDI - geen enkele betrekking op het kort geding inzake de overname van de maalderij, aangezien de maalderij door hem in priv?s gekocht en niet door de vennootschap. Het gesuggereerde verband tussen beide kwesties is feitelijk onjuist, aldus klager. Hij stelt voorts dat ten onrechte wordt gesproken van vertragingstactieken van zijn kant. Illegale opslag van asbest door de verkoper was de werkelijke reden van de vertraging van de overdracht, hetgeen verweerder had kunnen weten aangezien dit tijdens het kort geding uitgebreid aan de orde is geweest. Klager meent dat aldus ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat de verkoper van de maalderij het slachtoffer is van de 'malafide praktijken' van klager en zijn firma. Bovendien wordt het kort geding eenzijdig belicht, aangezien geen aandacht is besteed aan de argumenten van zijn advocaat.
Ten gevolge van de subjectieve, tendentieuze en feitelijk onjuiste berichtgeving, worden - zo betoogt klager - de belangen van zijn bedrijf onnodig geschaad. Verweerder had een en ander kunnen voorkomen door hoor en wederhoor toe te passen, hetgeen niet is geschied.

Verweerder wijst erop dat reeds voor de gewraakte publicaties diverse malen in De Twentsche Courant Tubantia is bericht over het geschil tussen DDI en Henkel. Uitsluitend deze voorgeschiedenis was voor de rechtbankverslaggever aanleiding het kort geding tussen klager en de eigenaar van de maalderij bij te wonen. Uit die keuze vloeide vervolgens voort dat in de gewraakte publicaties is verwezen naar het geschil tussen DDI en Henkel. In dit verband benadrukt verweerder dat in het kort geding zelf, onder meer door de advocaat van de eigenaar van de maalderij, ook nadrukkelijk een verband werd gelegd met het geschil tussen DDI en Henkel.
Volgens verweerder zijn tegenargumenten van klager weldegelijk terug te vinden in de berichtgeving. Aan de kwestie over het asbest is geen aandacht besteed omdat deze als een bijzaak kon worden beschouwd, die ondergeschikt was aan de hoofdzaak: de onwil tot overdracht van de maalderij. Ten slotte stelt verweerder dat naar zijn opvatting voor rechtbankverslaggeving alleen telt wat in de zittingzaal door de partijen wordt aangevoerd, en dat hij zich daaraan in deze zaak heeft gehouden.

?

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop gesteld wordt dat de klacht betrekking heeft op rechtbankverslaggeving: het rapporteren van dat wat tijdens een openbare rechtszitting naar voren is gebracht. Klager betwist niet zozeer de inhoud van de berichtgeving als wel de wijze waarop aan het kort geding aandacht is besteed. Met name acht klager niet toelaatbaar dat de publicaties verwijzingen bevatten naar het geschil tussen DDI en Henkel.
Verweerder heeft erop gewezen dat hij eerder over dit geschil heeft gepubliceerd, en dat ook tijdens het kort geding aan dit geschil is gerefereerd. In de klacht valt niet te lezen dat dit laatste niet het geval zou zijn geweest.

De Raad heeft eerder overwogen dat bij rechtbankverslagen niet ontoelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt (zie: Marlstone Recordings en Knubben-Kraft tegen Van Laarhoven en het Limburgs Dagblad, RvdJ 2000/14).
Voorts is - naar het vaste oordeel van de Raad - in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde (zie onder meer: X tegen Zijlmans en het Rotterdams Dagblad, RvdJ 1999/71 en X tegen Zembla, RvdJ 2000/23). Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

Gezien het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, door te berichten over het kort geding op de wijze zoals hij heeft gedaan.

?

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Twentsche Courant Tubantia te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 april 2001 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, mw. C.D. Smolders en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-10

?