2001/1 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P. Spaans, J. Vink-Pronk e.a.

tegen

de hoofdredacteur van de Haagsche Courant

Bij brief van 7 augustus 2000 met vier bijlagen heeft P. Spaans te Den Haag mede namens J. Vink-Pronk e.a. (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Haagsche Courant (verweerder). Hierop heeft de hoofdredacteur J. Schinkelshoek gereageerd bij brief van 11 september 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 januari 2001. P. Spaans en J. Vink-Pronk zijn daar verschenen. Namens verweerder is P. de Vries, chef stadsredactie, verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 14 juli 2000 is in de rubriek 'Eindpunt' van de Haagsche Courant een artikel verschenen onder de kop "'We zijn al bijna bij zee, Bep'". Het artikel bevat de passage "Lijn 11 is de enige tramlijn die al tientallen jaren op gezette tijden naar vis stinkt. Waren het eerst de Scheveningse vissersvrouwen die na het nettenboeten naar de markt togen. Later werden het de Turkse garnalenpelsters die met de tram naar huis gingen."

Bij brief van 15 juli 2000 heeft Spaans zijn bezwaren tegen met name deze passage aan verweerder kenbaar gemaakt. Namens verweerder heeft voornoemde De Vries deze bezwaren in een brief van 1 augustus 2000 van de hand gewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers betogen dat in het artikel ten onrechte de term 'vissersvrouwen' is gebruikt. Zij wijzen erop dat Scheveningen nog een aantal klederdrachtdragende inwoonsters telt. Deze zijn of waren in de meeste gevallen echtgenotes van zeevissers, zodat de term vissersvrouw - echtgenote van een visser - op hen van toepassing is. Bovendien droegen de meeste Scheveningse visvrouwen - visverkoopsters - klederdracht, terwijl sommigen van hen vissersvrouw waren. De klederdrachtdragende visvrouwen zijn sinds een aantal jaren uit het straatbeeld verdwenen. Deze visvrouwen roken tijdens hun werk weliswaar naar vis, maar op andere tijdstippen niet.
Volgens klagers heeft in de loop der jaren bij stadsmensen ten onrechte de gedachte postgevat dat klederdracht, vissersvrouwen en visvrouwen onder één noemer vallen. Deze gedachte heeft ertoe geleid dat ten onrechte wordt aangenomen dat rond de (klederdracht van) vissersvrouwen een visstank valt waar te nemen. Nu aan dat onjuiste beeld in het gewraakte artikel voedsel wordt gegeven, is het artikel jegens Scheveningse vissersvrouwen beledigend, aldus klagers.

Verweerder betoogt allereerst dat Spaans onvoldoende belang heeft bij het oordeel dat hij van de Raad vraagt. Hij is van mening dat Spaans een zelf gecreëerd en vrij beperkt belang heeft; dat Spaans zich beledigd voelt is op zichzelf onvoldoende.
Vervolgens legt verweerder uit dat de bedoeling van de rubriek 'Eindpunt' was om op een impressionistische, soms persoonlijke, of een luchtige toon de verschillende bus- en tramlijnen in de Haagse regio te portretteren. Die formule biedt redacteuren aldus een grotere vrijheid dan in normale reportages of nieuwsverslaggeving mogelijk en wenselijk is.
Hij stelt dat het op geenszins de bedoeling is geweest buurten of bevolkingsgroepen te stigmatiseren. Geschreven noch gesuggereerd is dat alle Scheveningse (vissers)vrouwen naar vis stinken. In het artikel komt de Scheveningse klederdracht niet voor en is geen enkel verband gelegd tussen vislucht en die klederdracht.
Verweerder betreurt dat klagers het artikel opvatten als vernederend en beledigend. Hij kent de geschiedenis van discriminatie jegens Scheveningse vrouwen in klederdracht, maar het is nooit zijn bedoeling geweest daar voeding aan te geven, op in te spelen of nonchalant mee om te springen. De door klagers bekritiseerde negatieve kwalificaties vallen naar de mening van verweerder niet in het artikel te lezen.
Bij het door klagers gemaakte onderscheid tussen vissersvrouwen en visvrouwen heeft verweerder niet stilgestaan. Als hij eerder had begrepen dat dit onderscheid in de beleving van klagers belangrijk was, had hij naar aanleiding van de brief van Spaans van 15 juli 2000 een andere, en voor klagers mogelijk bevredigende, reactie gestuurd.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

In artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad is bepaald dat een klaagschrift moet worden ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Een klager kan als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.

Uitsluitend ten aanzien van mevrouw Vink-Pronk heeft de Raad kunnen vaststellen dat de term 'Scheveningse vissersvrouw' op haar van toepassing is en is derhalve gebleken dat zij rechtstreeks belanghebbende is in de zin als hierboven omschreven. Spaans heeft betoogd dat hij als zoon van een Scheveningse vissersvrouw ook een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad. Alhoewel de Raad begrip heeft voor de gevoelens van Spaans, volgt hij Spaans niet in dat betoog. Het aldus door Spaans gestelde belang is daarvoor niet voldoende. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat alleen mevrouw J. Vink-Pronk in haar klacht ontvankelijk is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de klacht van M.C. Franke en Het Anti Discriminatie Bureau Amsterdam tegen B. Plugge en Privé, RvdJ 1996/41), is bij de beoordeling van een tekst mede van belang in welk verband of welke context de aangevallen opmerking is gemaakt en welke bedoeling de journalist met de desbetreffende tekst heeft gehad.

Hoezeer de gevoelens van Vink-Pronk over de gewraakte passage voorstelbaar zijn, kan uit deze passage - bezien in de context van het gehele artikel - echter niet worden opgemaakt dat deze door verweerder is bedoeld om enige negatieve kwalificatie tot uitdrukking te brengen.

Alles in aanmerking genomen acht de Raad de door verweerder erkende onbedoelde misslag - verwisseling van de termen vissersvrouw en visvrouw - niet van zodanige aard, dat verweerder daarmee grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Behoudens J. Vink-Pronk zijn klagers in hun klacht niet-ontvankelijk.
De klacht van J. Vink-Pronk is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Haagsche Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 2001 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. A. Herstel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2001-01