2000/8 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.J. Gomperts

tegen

de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Bij brief van 26 juli 1999 met 3 bijlagen heeft mevrouw R.J. Gomperts te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkene). Hierop heeft J.M. van der Hart, algemeen hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 17 augustus 1999. Gomperts heeft op 18 augustus 1999 nog een aanvullend stuk ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 1999 in aanwezigheid van klaagster. Betrokkene heeft laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge toelichting.

DE FEITEN

Klaagster is als arts werkzaam in een abortuskliniek in Eindhoven. Zij schrijft geregeld artikelen over haar werk. Het Eindhovens Dagblad publiceerde op 3 april 1999 een interview met Klaagster, waarin zij haar plannen om met een varende abortuskliniek de wereld rond te reizen ontvouwt. Zij wil op die manier hulp bieden aan vrouwen in landen waar abortus verboden is.
Het artikel bevat de volgende voor de klacht relevante passage:

Waarom is zo'n varende kliniek nodig?
"Elk jaar worden er naar schatting 20 miljoen illegale abortussen uitgevoerd. Meestal gebeurt dat ondeskundig en onveilig. Daardoor sterven jaarlijks wel honderdduizend vrouwen . Vaak is dat aan hen zelf te wijten. Met breinaalden, kruiden en middeleeuwse methoden voeren ze zelf een abortus uit(....)"

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster heeft zij de geciteerde uitspraak, met name voor zover deze inhoudt: 'vaak is dat aan hen zelf te wijten' nooit gedaan. Zij heeft het interview voorafgaand aan publicatie geautoriseerd. In de geautoriseerde versie stond: 'Daardoor sterven jaarlijks wel honderdduizend vrouwen. Dat is een ramp. Maar omdat het allemaal in het geheim gebeurt, blijft het grote lijden onzichtbaar'.
Dit citaat is correct opgenomen in de versie die het dagblad De Gelderlander op 9 april 1999 publiceerde.
De gewraakte uitspraak staat lijnrecht tegenover haar opvattingen en is schadelijk voor het door haar geïnitieerde project en andere initiatieven. Zij vermoedt dat de aanpassing van de tekst met opzet heeft plaatsgevonden, aangezien Eindhoven de enige stad in Nederland is waar nog tegen abortus wordt geprotesteerd. Op haar verzoek tot rectificatie heeft de krant niet gereageerd.

Betrokkene geeft toe dat de gewraakte zin ten onrechte is toegevoegd aan het interview. Daarvoor bestond geen reden. Het verzoek tot rectificatie heeft hem nooit bereikt, anders zou de krant zeker een rectificatie geplaatst hebben. Naar aanleiding van de onderhavige klacht heeft betrokkene contact opgenomen met klaagster om excuses aan te bieden. Hij heeft haar voorgesteld om een interview met haar te publiceren, waarin zij uitvoerig op haar werk in zou kunnen gaan. Zij konden het echter niet eens worden over de voorwaarden voor publicatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hoewel het artikel getuigt van een positieve benadering van de plannen en activiteiten, heeft - naar ter zitting aannemelijk is geworden - een slordigheid bij het redigeren van de geautoriseerde versie ertoe geleid dat aan klaagster op een, naar verondersteld mag worden niet alleen door haar als zodanig ervaren, wezenlijk punt een mening is toegeschreven, die juist niet de hare is. Aanwijzigen dat hierbij, zoals klaagster vermoedt, opzet een rol zou hebben gespeeld, ontbreken geheel. Klaagster mocht, te meer nu het om een door haar geautoriseerde tekst ging, erop vertrouwen dat de door haar bij het interview gegeven antwoorden juist zouden worden weergegeven, behoudens eventuele aanpassingen of wijzigingen van ondergeschikte aard. Om een dergelijke ingreep van ondergeschikte aard gaat het hier echter zoals uit het voorgaande al blijkt niet, ook niet naar de opvatting van betrokkene.

Partijen verschillen van mening over de gang van zaken rond de afhandeling van de klacht door betrokkene. Klaagster heeft om een rectificatie verzocht, maar betrokkene stelt de brief waarin om rectificatie werd verzocht niet te hebben ontvangen. Over de voorwaarden waaronder een nieuwe publicatie zou plaatsvinden zijn zij het niet eens geworden. Vaststaat dat betrokkene niets heeft gerectificeerd na kennisname van de ook volgens hem, terechte bezwaren van klaagster.

Betrokkene heeft dan ook de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mw. drs. B.L.W. Tillema en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-08