2000/71 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F. Habets

tegen

de hoofdredacteur van De Gelderlander

Bij brief van 22 juni 2000 met zeven bijlagen heeft F. Habets te Ewijk (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gelderlander (verweerder). Hierop heeft M. de Koninck, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 17 juli 2000. Habets heeft zijn klacht nog nader toegelicht bij brief van 1 oktober 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 oktober 2000 in aanwezigheid van klager en zijn adviseur de heer G. Maassen. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 23 mei 2000 is in De Gelderlander een artikel van Paul Ophey verschenen onder de kop "Biologie betere basis voor onze moraal dan kennis van de bijbel".
Als reactie hierop heeft klager een ingezonden brief gestuurd. De laatste alinea en de ondertekening van deze brief luidden:
"Ik wil Paul Ophey en zijn medestanders dan ook zeer bedanken en ik verzeker hen, dat ik een ereplaats voor hem en de zijnen in ons instituut zal reserveren. Ook de redactie van De Gelderlander ben ik er zeer erkentelijk voor, dat zij de moed hebben gehad, om ons eindelijk weer eens met dit soort gedachten te confronteren. De maatschappij snakt naar het sociaal darwinistisch realisme!!. "Met zwavelige groet, Satan. (Namens deze: Floris Habets, filosoof)"
Deze brief is in gewijzigde vorm gepubliceerd in de rubriek Mijn Mening van De Gelderlander van 3 juni 2000 onder de kop "Betere basis voor onze moraal (2)". De laatste alinea van de brief is geschrapt en de ondertekening is vervangen door "Floris Habets, Ewijk".
Vervolgens zijn op 10 juni 2000 een aantal ingezonden brieven gepubliceerd, waarin de brief van klager werd gekritiseerd en als discriminerend werd aangemerkt. Diezelfde dag verscheen in de rubriek 'Tussen de Regels' een redactioneel commentaar, waarvan de laatste alinea luidt:
"De eindredacteur van de rubriek Mijn Mening is zeer zorgvuldig in zijn afweging. Toch kan het ook hem gebeuren, dat er een brief doorslipt die niet voor plaatsing in aanmerking had mogen komen. Dat was vorige week zaterdag het geval met een brief met enkele racistische passages. Terecht heeft een aantal lezers zich gestoord aan het schrijfsel 'Betere basis voor onze moraal (2)'. Ook de (hoofd)redactie van De Gelderlander meent dat deze brief maar één plaats verdiende: de prullenbak."
Klager heeft zowel telefonisch als schriftelijk aan de heer Kester, van de afdeling lezerscontact, om rectificatie verzocht. Hierop heeft verweerder niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat Ophey in het artikel van 23 mei 2000 een pleidooi heeft gevoerd voor een sociaal darwinistische moraal uitgaande van 'het egoïsme van de genen'. Ophey gaf toe dat met name de nazi's zich van deze opvattingen bediend hebben en dat deze opvattingen gepropageerd dienen te worden. De Gelderlander heeft aan deze discutabele morele opvattingen ruimte gegeven, zonder daarvan afstand te nemen of deze te relativeren. In zijn ingezonden brief heeft klager op sarcastische wijze gewezen op de gevaren die uit dergelijke denkbeelden kunnen voortvloeien en duidelijk gemaakt dat hij niet gediend is van de in het artikel gehuldigde standpunten. Door het schrappen van cruciale zinnen uit zijn brief is de betekenis van het geheel echter zodanig veranderd, dat er het tegenoverstelde in gelezen kon worden van hetgeen hij beweerd had en dat sommige lezers het sarcasme in de brief van klager niet zagen. De verontwaardigde reacties van enkele lezers zijn daar het gevolg van. Eén van deze lezers, die vervolgens van klager de oorspronkelijke brief had ontvangen, schreef aan klager "...gelukkig... Dank voor uw verduidelijkende brief van 20 juni jl."
Voorts heeft verweerder zich in het redactioneel commentaar van 10 juni 2000 niet verontschuldigd voor de verminking van zijn brief, maar passages uit de brief als racistisch aangemerkt. Verweerder had zich er van bewust moeten zijn dat dit onjuist is, aangezien hij de beschikking had over de oorspronkelijke brief van klager.
Uit het telefoongesprek met de heer Kester bleek dat een tweede, verduidelijkende, ingezonden brief van klager niet zou worden geplaatst. Verweerder heeft hem aldus ten onrechte geen gelegenheid geboden om in een nieuwe ingezonden brief te reageren. Door de handelwijze van verweerder wordt de suggestie dat klager racistische opvattingen zou hebben niet alleen niet weggenomen, maar zelfs versterkt.

Verweerder is van mening dat iemand zich op glad ijs begeeft indien hij racistische opvattingen formuleert. Sarcasme kan bovendien gemakkelijk tot misverstanden leiden en het is hachelijk die stijlfiguur te hanteren voor teksten die beledigend zijn voor bevolkingsgroepen. De wijzigingen in de brief van klager zijn als gebruikelijke redactionele ingrepen te beschouwen. Deze worden gerechtvaardigd door de redactionele aantekening bij de rubriek Mijn Mening: "De redactie behoudt zich het recht voor bijdragen in te korten....". Het valt niet in te zien dat door het inkorten van klagers brief de betekenis van het geheel veranderde. Verweerder wijst er op dat klager pas bezwaar maakte tegen de wijze waarop zijn brief was gepubliceerd na publicatie van de reacties op die brief. De oprechtheid van de bedoelingen van de redactie blijkt uit het redactioneel commentaar, waarin de redactie de verantwoordelijkheid neemt voor plaatsing van de brief van klager. Daarbij is in het belang van klager zijn naam niet genoemd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft een redactie de vrijheid om ingezonden brieven in te korten. Daarbij dient een redactie te voorkomen, dat de inkorting afbreuk doet aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief.
In het onderhavige geval is - zoals klager nadrukkelijk heeft betoogd - sprake van een sarcastisch getoonzette brief. Deze stijlvorm draagt het risico in zich dat zij leidt tot verkeerd begrip bij de lezer. Enerzijds neemt daarmee briefschrijver het risico verkeerd begrepen te zullen worden, anderzijds is het daarom juist bij ingezonden brieven met een dergelijke toonzetting voor een redactie zaak uiterst zorgvuldig te werk te gaan bij het inkorten van de tekst.
Klagers brief nu staat in zijn gepubliceerde vorm haaks op klagers beweerde standpunt en zijn bedoeling met het schrijven van de ingezonden brief. Met name het door de redactie weglaten van de laatste alinea van klagers brief en de ondertekening daarvan met "Met zwavelige groet, Satan" heeft bijgedragen aan het averechtse effect, dat klagers brief kennelijk heeft gesorteerd.
Nadat klager uit reacties op zijn brief duidelijk was geworden, hoezeer deze verkeerd werd begrepen, heeft verweerder klager niet in de gelegenheid willen stellen om in de kolommen van de krant zijn bedoelingen te verduidelijken. Integendeel meldde de redactie in de rubriek "Tussen de regels" het plaatsen van klagers brief te betreuren in verband met het feit dat deze "enkele racistische passages" bevatte. Daarmee ontkende de redactie niet alleen definitief het sarcastische karakter van klagers brief, maar diskwalificeerde zij klager ook persoonlijk: als iemand die racistische gedachten zou koesteren.
Door zo te handelen en na te laten heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gelderlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 december 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. J.A. Koerts en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-71