2000/7 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Shell Nederland B.V.

tegen

redactie van Netwerk (KRO)

Bij brief van 23 juli 1999 met 13 bijlagen heeft mr. J.H. Schraven, President-directeur van Shell Nederland B.V. (verder te noemen Shell) namens deze vennootschap een klacht ingediend tegen de redactie van het KRO-programma Netwerk (betrokkenen).
Hierop heeft F. de Poel, hoofdredacteur, gereageerd met een verweerschrift, voorzien van 18 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 1999. Namens Shell verschenen mr. J. Kooy en ir. M.P. Broekers. Namens de redactie van Netwerk verschenen B. Nijpels en J. Versluis.

DE FEITEN

Een consortium van oliemaatschappijen is voornemens olie te winnen in het Doba Bekken in Tsjaad. Shell neemt voor 40% deel in dit consortium. De overige deelnemers zijn Elf (20%) en Exxon (40%). Exxon fungeert als 'operator', verantwoordelijk voor de uitvoering van het project. Tsjaad en Kameroen betalen mee aan de kosten van het project, waarvoor zij bij de Wereldbank een lening hebben aangevraagd. De Wereldbank heeft hen verplicht milieu-effectrapportages over het project in te dienen. Deze rapportages zijn in opdracht van het consortium gemaakt.
Netwerk besteedde in twee uitzendingen, te weten op 29 november 1998 en op 7 mei 1999, aandacht aan het project. In beide uitzendingen werd een vergelijking gemaakt met de oliewinning in Nigeria, een land "getroffen door enorme milieurampen en sociale onrust" die het gevolg zouden zijn van "lucratieve maar verwoestende oliewinningen". Daarbij werden beelden getoond van een vrachtauto met grote roetwolken uit de uitlaat, een brand in een oerwoud, een schroothoop en een 'close-up' van een lekkende pijpleiding. Betoogd werd dat het consortium een dubbele agenda zou hebben. De pijpleiding door Kameroen, die de te winnen olie uit Tsjaad naar zee moet vervoeren, zou een te grote diameter hebben om de aanleg voor alleen de Doba-velden te rechtvaardigen. Voor het eventueel later ontwikkelen van andere olievelden zou geen nieuwe milieu-effectrapportage meer nodig zijn.
Naar aanleiding van de uitzending op 29 november 1998 liet Shell in een persbericht en in een telefonisch onderhoud met betrokkenen weten dat zij de uitzending tendentieus, eenzijdig, vooringenomen en leugenachtig vond en in de eerstvolgende uitzending gelegenheid voor een weerwoord wilde krijgen.
Netwerk stelde Shell in de persoon van ir. Broekers, hoofd van haar Persdienst, voorafgaand aan de tweede uitzending enige vragen. Van de van dat interview gemaakte opnamen is een zeer kort fragment in de uitzending van 7 mei 1999 verwerkt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Shell vindt de berichtgeving onjuist, tendentieus en suggestief van toonzetting, in zowel woord als beeld.
Er is geen sprake van een dubbele agenda. De in 1971 afgegeven concessie is juist op verzoek van het consortium verkleind. De suggestie dat het consortium bij eventuele nieuwe vondsten de strikte Wereldbanknormen zou willen omzeilen en daarom nu eventuele plannen zou verzwijgen, is niet op feiten gebaseerd. Het is niet uitgesloten dat bij eventuele nieuwe vondsten van olie in de nabijheid van de drie velden in het Doba Bekken deze ook door de onderhavige pijpleiding kan worden vervoerd. Dat is doelmatig en milieuverantwoord, en ook in het belang van Tsjaad, dat van de inkomsten uit oliewinning profiteert, aldus Shell. In dat geval zal, naar het consortium aanneemt, opnieuw een volledige en verantwoorde milieurapportage plaatsvinden. De grote diameter van de pijpleiding is volgens Shell noodzakelijk in verband met het feit dat de Doba-olie visceus (moeilijk vloeibaar, stroperig) is.
Het getoonde beeldmateriaal wordt volgens Shell op suggestieve wijze gebruikt en heeft niets met Tsjaad te maken. Het olieproject bevindt zich nog in de voorbereidingsfase. Bij de vergelijking met Nigeria wordt ten onrechte gesproken van een 'verwoesting door oliewinning' aldaar. Dit kan niet anders worden gezien dan als een poging om bewust een negatief beeld van Shell te schetsen.
Het beginsel van hoor en wederhoor is volgens Shell niet, of op onbehoorlijke wijze toegepast nu zij niet in de gelegenheid is gesteld adequaat te reageren op hetgeen in de uitzending van 7 mei 1999 naar voren is gebracht en getoond. De Shell-woordvoerder wist niet dat een parlementslid uit Tsjaad centraal zou staan in die uitzending. Van de reactie van de woordvoerder is nog geen halve minuut uitgezonden. De getoonde Shell-reactie is een wel erg minimale en ontoereikende invulling van het principe van wederhoor, dat in feite geen naam mag hebben.

Volgens Netwerk is de suggestie van een 'dubbele agenda' niet van haar afkomstig maar van de Commissie voor de Milieu-effectrapportage (CMER), ten bewijze waarvan een passage uit de aanbiedingsbrief bij het eindrapport CMER van 2 juli 1998 wordt aangehaald. Uit gegevens van Exxon zou blijken dat de hoeveelheid visceuse olie die door de pijpleiding gaat na de eerste 5 à 6 jaar drastisch afneemt. Netwerk citeert professor P. Odell, die op grond van dit gegeven tot de conclusie komt dat het bedrijfsmatig vereist is ook olie uit andere velden door de leiding te laten vloeien, om het geïnvesteerde geld eruit te halen.
De vergelijking met Nigeria is volgens Netwerk volstrekt legitiem. Diverse studies naar de problemen rond de activiteiten van Shell in Nigeria rechtvaardigen het gebruik van de kwalificaties 'enorme milieurampen' en 'verwoestende oliewinningen'. Het gebruikte beeldmateriaal, dat gemaakt is in Nigeria, illustreert dit.
Netwerk is van mening dat er in voldoende mate hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De zeer gedetailleerde plannen van het consortium, waarover al veel publiciteit was geweest, zijn in de beide reportages uiteengezet. Netwerk ziet dit als 'hoor'. De in de uitzendingen geuite kritiek op die plannen wordt als 'wederhoor' beschouwd. Ten behoeve van de uitzending in november 1998 is contact gezocht met de officiële woordvoerder voor het project in Tsjaad en Kameroen, die verbonden is aan Exxon. Shell verwijst in haar contacten met de media ook naar Exxon. Overigens heeft Shell ten behoeve van de uitzending van 7 mei 1999 mogen reageren op verschillende punten van kritiek, wat ook weer 'wederhoor' is. Gekozen is voor de reactie van Shell op de kritiek van PvdA-Tweede Kamerlid A. Koenders, omdat dit journalistiek gezien het meest relevante onderdeel van de reportage was. Netwerk heeft zich dit keer niet tot Exxon maar tot Shell gewend, omdat de rode lijn door het verhaal het bezoek van het parlementslid uit Tsjaad aan de aandeelhoudersvergadering van Shell was.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich tegen de uitzending van 7 mei 1999, mede bezien tegen de achtergrond van de uitzending van 29 november 1998.
Beide uitzendingen bevatten verwijten aan het adres van (onder andere) Shell, met name op het punt van de 'dubbele agenda' en van de 'milieurampen' en 'verwoestende oliewinning' in Nigeria. Netwerk beschikte over vele bronnen en feitelijke gegevens, die de zeer kritische opstelling in beide reportages ten aanzien van de oliewinning in Tsjaad, maar ook ten aanzien van de gevolgen van de oliewinning in Nigeria, rechtvaardigen.

Terecht klaagt Shell echter dat in de uitzending van 7 mei 1999 ten aanzien van haar in wezen geen wederhoor is toegepast. Zoals ter zitting is gebleken, heeft Netwerk de Shell-woordvoerder ir. Broekers slechts op een beperkt aantal punten om commentaar verzocht, en hem grotendeels in het ongewisse gelaten omtrent de kritiek die in de uitzending zou worden geleverd op de plannen van het consortium tot oliewinning in Tsjaad. Van het door ir. Broekers gegeven commentaar is op 7 mei 1999 slechts een zeer korte onbeduidende, niet de kern van de in de uitzending op het consortium uitgeoefende zware kritiek rakende, fractie getoond. Dit terwijl naar eveneens ter zitting is gebleken, het van de zijde van Shell gegeven commentaar wel degelijk op een aantal wezenlijke punten een gemotiveerde reactie op die kritiek inhield.
Door aldus te werk te gaan heeft Netwerk geen behoorlijke toepassing gegeven aan de in een geval als dit van toepassing zijnde regel van hoor en wederhoor. Netwerk heeft nog wel aangevoerd dat in zijn visie (mede door Netwerk) openbaar maken van de plannen van het consortium heeft te gelden als "hoor" en de in de uitzending getoonde reactie van critici als "wederhoor", maar dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard: de in de uitzending uitgeoefende kritiek op de plannen van het consortium bevatte ernstige verwijten aan het adres van (onder andere) Shell, en dus had Netwerk Shell de gelegenheid moeten bieden die verwijten in de uitzending van 7 mei 1999 te weerleggen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Netwerk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mw. drs. B.L.W. Tillema en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-07