2000/67 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Zijp

tegen

de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 12 juli 2000 met twee bijlagen heeft J. Zijp te Purmerend (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Parool (wederpartij).

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2000. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn echtgenote M. Zijp-Blaauboer, en heeft de klacht toegelicht aan de hand van een notitie. De wederpartij is niet verschenen.

DE FEITEN

In Het Parool zijn twee artikelen verschenen over de strafzaak betreffende de dood van de dochter van klager, te weten op 12 januari 2000 onder de kop "Geheugen weg na afslachten vriendin" en op 25 januari 2000 onder de kop "Twee jaar en tbs na dood vriendin." In de artikelen is de dochter van klager met naam genoemd en zijn diverse details over haar gewelddadige dood opgenomen. Naar aanleiding van de publicatie van 12 januari 2000 heeft klager telefonisch aan de wederpartij verzocht in een volgende publicatie op een meer sobere wijze verslag te doen van de dood van zijn dochter. Vervolgens heeft klager in een ingezonden brief van 26 januari 2000 zijn bezwaren tegen de berichtgeving aan de wederpartij kenbaar gemaakt. Deze brief is, voorzien van de kop "Soberder", diezelfde dag integraal in Het Parool geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in de artikelen klakkeloos het verhaal van de dader is weergegeven. Door de onnadenkende en mensonwaardige wijze waarop over de dood van zijn dochter is geschreven, zijn hij en zijn echtgenote extra gekwetst. Volgens klager moet in dergelijke berichtgeving meer rekening worden gehouden met de gevoelens van nabestaanden.

De wederpartij heeft niet op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht om de vraag of het, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, tegenover het slachtoffer en de nabestaanden maatschappelijk aanvaardbaar is om over een ernstig geweldsmisdrijf tegen personen zo te berichten dat:
a) de identiteit van het slachtoffer bekend wordt gemaakt;
b) details van het misdrijf vermeld worden die zeer pijnlijk zijn voor de nabestaanden van het slachtoffer.
Eerder heeft de Raad in dergelijke kwesties (zie onder meer: Burgdorffer tegen AD, de Volkskrant, Nieuwsblad van het Noorden, Veronica en EO, RvdJ 1988, 28 en N. de Roy-Boorsma tegen de hoofdredactie van het Eindhovens Dagblad, RvdJ 1995,15) als volgt geoordeeld:
"Voorop moet worden gesteld, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Dit geldt ook voor publicaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid.

Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan."

Met betrekking tot vraagonderdeel a. staat tegenover dit uitgangspunt de plicht van de journalist om, wanneer het slachtoffer en/of zijn naasten door het bericht herkenbaar kunnen worden, zich af te vragen of onevenredige benadeling van of leedtoevoeging aan deze personen het gevolg van de berichtgeving kan zijn. De journalist dient in dat geval het belang van deze personen te laten prevaleren en dus hun herkenbaarheid te vermijden. Het in berichtgeving over geweldsmisdrijven herkenbaar en identificeerbaar maken van slachtoffers kan niet zonder meer als een dergelijke onevenredig zware leedtoevoeging beschouwd worden.
Met betrekking tot vraagonderdeel b. staat tegenover het hiervoor geformuleerde uitgangspunt dat details van het misdrijf weggelaten dienen te worden, indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard van het misdrijf weer te geven. Los van dit alles dient een journalist zich er bij berichtgeving over geweldsmisdrijven zo mogelijk van te vergewissen dat de naaste familie van het slachtoffer op de hoogte is van de gebeurtenis, voordat tot publicatie wordt overgegaan.

In dit geval hebben de ouders door de gewelddadige dood van hun dochter, een voor hen bijzonder schokkende gebeurtenis, al bijzonder zwaar leed ondergaan. Hun bezwaren tegen de gewraakte berichtgeving zijn dan ook zeker voorstelbaar. De vraag is thans of de publicaties in Het Parool nog - redelijkerwijs voorzienbaar - leed hebben toegevoegd, dat niet in evenredigheid is met het eerder omschreven belang dat met publicatie is gemoeid.

Zoals hierboven is weergegeven kan het enkele feit, dat de personalia van de dochter van klager in de publicaties zijn genoemd, niet als een zo zware leedtoevoeging worden aangemerkt dat de vermelding van haar naam achterwege had moeten worden gelaten. Ter zitting heeft klager bovendien opgemerkt, dat die vermelding zijns inziens valt binnen de persvrijheid. De klacht richt zich echter met name tegen het beschrijven van de details van het misdrijf. De Raad is van mening dat die beschrijving niet disfunctioneel is en evenmin als grensoverschrijdend valt aan te merken. Er is geen grond voor het oordeel dat de wederpartij het belang van de gewraakte publicaties niet heeft afgewogen tegen de belangen van de ouders bij het achterwege laten van bepaalde details. Hoewel er begrip bestaat voor het feit dat de ouders geschokt zijn door de beschrijving daarvan, kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de wederpartij door daar melding van te maken jegens hen grenzen van de in acht te nemen journalistieke zorgvuldigheid heeft overschreden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt de wederpartij deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 december 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, M.J. Kes en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-67