2000/66 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Stichting Evenementen Reynaert Historie en E.C.M. Beaart

tegen

W. Bareman en de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant

Bij brieven van 24 juni 2000 met tien bijlagen en van 30 juni 2000 met een bijlage heeft E.C.M. Beaart te Voorhout, mede namens de Stichting Evenementen Reynaert Historie, (klagers) een klacht ingediend tegen W. Bareman en de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant (verweerders). Hierop heeft A.L. Oosthoek, hoofdredacteur, mede namens Bareman gereageerd in een brief van 26 juli 2000 met een bijlage. Beaart heeft de klacht nog nader toegelicht bij brief van 4 oktober 2000 met zes bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 oktober 2000 in aanwezigheid van Beaart, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerders zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Beaart is voorzitter van de Stichting Evenementen Reynaert Historie, verder te noemen: SERH. Naar aanleiding van het evenement "De Reynaerts Historische Week 1999" zijn binnen het bestuur van de SERH problemen ontstaan. Hierover heeft de Provinciale Zeeuwse Courant, verder te noemen: PZC, onder meer de navolgende artikelen van de hand van Bareman - waarvan enkele tezamen met B. Pelgrim - gepubliceerd:
- 29 maart 2000: "Bestuur Reynaertclub in crisis over financiën
- 30 maart 2000: "Geding dreigt rond inzage boeken Reynaertstichting"
- 31 maart 2000: "Raad Hulst eist klaarheid over Reynaertrel"
- 1 april 2000: "Hoofdrolspelers in Reynaertrel schuiven elkaar zwartepiet toe"
- 4 april 2000: "Reynaert-voorzitter geeft rest van bestuur kopie boekhouding"
- 6 april 2000: "Reynaert-voorzitter moet wijken"
- 13 april 2000: "Bestuursleden eisen vertrek voorzitter Reynaert-stichting"
- 28 april 2000: "Weemaes verzocht te bemiddelen in twist Reynaertstichting"
- 14 juni 2000: "Accountantsonderzoek Reynaertstichting is kijvend bestuur te duur"
Dit laatste artikel bevat een verslag van de zitting van de rechtbank te Middelburg van 13 juni 2000. In deze procedure hebben H. Scholtens, secretaris van de SERH, en M. Stoffels, penningmeester van de SERH, verzocht Beaart te ontslaan als bestuurder van de SERH en hem bij voorlopige voorziening te schorsen.
Op 15 juni 2000 heeft Beaart telefonisch aan Bareman en PZC-redacteur M. Schrier om rectificatie verzocht. Bij brief van 23 juni 2000 heeft Beaart vervolgens aan de hoofdredactie van de PZC zijn bezwaren tegen deze artikelen kenbaar gemaakt. Het verzoek tot rectificatie is niet gehonoreerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van mening dat het artikel van 14 juni 2000 een zeer eenzijdig beeld geeft van de zitting van de rechtbank. Bareman heeft niets gedaan met het verweerschrift in deze procedure, dat aan hem is overhandigd. De kop van het artikel dekt de lading niet, omdat tijdens het besluit over het voorgestelde accountantsonderzoek de stemmen staakten. Tevens is in de kop een verkeerde stichting aangehaald: naast de SERH bestaat de Reynaertstichting, die geen partij is in de procedure. Voorts is de passage "De stichtingskas is leeg en niemand wilde persoonlijk voor de kosten opdraaien." onjuist, aangezien Beaart dit wél wilde doen. Bovendien is ten onrechte vermeld dat tijdens de zitting zou zijn gezegd dat 'Beaart bij de subsidiegevers alle vertrouwen heeft verspeeld en dus zeker ook het veld moet ruimen'.
De overige artikelen bevatten belastend materiaal voor zowel de SERH als voor Beaart persoonlijk. Klagers hebben de indruk dat deze artikelen zijn gedicteerd door voornoemde Stoffels, zonder dat hetgeen in het artikel is vermeld nader wordt onderbouwd. Bareman past aldus vriendjespolitiek toe en gaat voorbij aan het objectief en neutraal weergeven van feiten, de PZC is een spreekbuis van Stoffels. Aan de standpunten van klagers is vrijwel geen aandacht gegeven.
Het enige door Beaart aan Pelgrim gegeven interview in deze kwestie is voor een belangrijk deel niet geplaatst. Voorts hebben verweerders geen weerwoord aan klagers gevraagd, met uitzondering van het artikel van 28 maart 2000, en is Beaart enkel geciteerd uit het hiervoor bedoelde interview. Klagers achten een lezersrubriek niet het geijkte middel om in een kwestie als de onderhavige te reageren. Ter zitting erkent Beaart in eerste instantie een interview te hebben afgehouden.

Verweerders stellen voorop dat klagers zich nimmer tot de hoofdredactie van de PZC hebben gewend met klachten over de verslaggeving. Voorts hebben klagers nimmer verzocht om toegang tot de lezersrubriek. Vanaf het begin van de berichtgeving is duidelijk dat Beaart niet wenste mee te werken aan publiciteit rond de kwestie. In het artikel van 29 maart 2000 zegt Beaart tot slot: "Alles wat ik verder over deze zaak zeg is te veel." Bareman en Pelgrim hebben niettemin bij herhaling geprobeerd, en soms met succes, een publicabele mening van Beaart te krijgen. In het artikel van 1 april 2000 is Beaart in ruime mate aan het woord gekomen, terwijl hij in het artikel van 4 april 2000 verklaart 'er weinig voor te voelen nog verder in te gaan op het conflict' dat naar zijn mening niet in de media moet worden uitgevochten. Verweerders hebben ook de bestuursfactie-Beaart, gevormd door klager en zijn broer H. Beaart, direct en in vertegenwoordiging, middels mr. F. Kloppenburg, aan het woord gelaten.
Wat de aanduiding van de SERH in de kop van het artikel van 14 juni 2000 betreft, zijn verweerders van mening dat vermelding van de volledige naam van de SEHR in de bekopping onpraktisch, onwerkbaar en onzinnig is. Dit hebben zij ook aan Beaart meegedeeld. In alle ter zake verschenen artikelen, ook in het artikel van 14 juni 2000, is onverkort duidelijk gemaakt om welke stichting het gaat.
Van dictaten door Stoffels is geen sprake. Nimmer zijn op eigen gezag feiten of commentaren toegevoegd aan de beweringen van de conflicterende partijen. Deze partijen zijn in ruime mate aan het woord gelaten, waarbij citaten inhoudelijk voor rekening zijn van die partijen.
Ten slotte stellen verweerders dat over het interview met Beaart de gebruikelijke vorm van eindredactie is gevoerd. Autorisatie aan de zijde van Beaart is gevraagd noch verkregen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het midden kan worden gelaten of Beaart bevoegd was de klacht namens de Stichting Evenementen Reynaert Historie in te dienen, aangezien Beaart expliciet te kennen heeft gegeven dat hij de klacht tevens persoonlijk heeft ingediend. Overigens gaat de Raad bij de beoordeling van de klacht uit van de artikelen die op het moment van indiening van de klacht waren gepubliceerd en laat hij de artikelen die nadien zijn geplaatst buiten beschouwing. Bovendien treedt de Raad niet in de beoordeling van het geschil tussen klagers enerzijds en de heren Scholtens en Stoffels anderzijds.
De bezwaren van klagers tegen het artikel van 14 juni 2000 spitsen zich met name toe op de kop "Accountantsonderzoek Reynaertstichting is kijvend bestuur te duur". Ter zitting heeft klager erkend dat het accountantsonderzoek van de hand is gewezen, omdat een aantal bestuursleden van de SERH dit te duur vond. Dat daarbij de stemmen staakten is van ondergeschikt belang. Het gebruik van de kwalificatie 'kijvend' acht de Raad noch in strijd met de waarheid noch onnodig grievend. Voorts is in de intro van het artikel, door vermelding van de volledige naam van de SERH, duidelijk gemaakt op welke stichting de berichtgeving betrekking heeft. Ook overigens is, bezien in de context van het gehele artikel, naar het oordeel van de Raad geen sprake van onjuistheden van betekenis.
Wat de overige artikelen betreft overweegt de Raad het volgende. In de artikelenreeks wordt een kritisch beeld geschetst van klagers, hetgeen op zichzelf niet ontoelaatbaar is. De klacht dat ter zake sprake zou zijn van eenzijdige berichtgeving is algemeen gesteld, en door klagers niet nader geconcretiseerd, zodat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen en gelet op hetgeen partijen ter zake hebben gesteld, is de Raad evenmin van oordeel dat verweerders klagers onvoldoende gelegenheid tot het geven van weerwoord hebben geboden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klager ook zelf bij gelegenheid het desgevraagd geven van een reactie achterwege heeft gelaten.
Alles overwegend komt de Raad derhalve tot het oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Provinciale Zeeuwse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 7 december 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. J.A. Koerts en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-66