2000/65 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. G.E. Elias

tegen

J. Schoorl en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 16 juni 2000 met acht bijlagen heeft mr. K. Frielink, advocaat te Willemstad, Curaçao namens mr. G.E. Elias (klager) een klacht ingediend tegen J. Schoorl en de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerders). Hierop heeft P.I. Broertjes, hoofdredacteur, mede namens Schoorl gereageerd in een brief van 10 juli 2000 met zes bijlagen. Mr. Frielink heeft de klacht nog nader toegelicht bij faxbericht van 26 juli 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 oktober 2000 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 5 juni 2000 is in de Volkskrant een artikel van de hand van Schoorl verschenen onder de kop "De N.V. Patrick Kluivert". Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
"Intertrust, dat op hetzelfde adres in Curaçao is gevestigd, staat als enige bestuurder van Mighty Forest Corporation vermeld. 'Chairman' van dit zogenoemde trustkantoor is Gregory E. Elias, bekend als voorzitter van de Vereniging Offshore Belangen (VOB). Deze 47-jarige invloedrijke en - naar verluidt - omstreden Antilliaan speelt een belangrijke rol in de 'Ántillenroute'. Drie jaar geleden raakte Elias betrokken bij de beursfraudezaak. Justitie haalde uit zijn kantoor een dossier van de onderneming ESC Effecten - dat op hetzelfde adres als Mighty Forest Corporation is gevestigd. Eén van de hoofdverdachten uit de beursfraudezaak, Dirk de G., was net als Elias verbonden aan ESC. Dirk de G. zou dit bedrijf hebben gebruikt om zwart geld wit te wassen. Ook maakte Elias voor Peter Graf, de vader van oud-tennisster Steffi, voor haar reclame-inkomsten een fiscale constructie via Nederland en de Antillen. De Duitse belastingdienst keurde de gang van zaken af en Graf werd vanwege ontduiking tot langdurige gevangenisstraf veroordeeld."
Bij faxbericht van 5 juni 2000 heeft mr. Frielink de bezwaren van klager tegen de publicatie aan verweerders kenbaar gemaakt en rectificatie verzocht. Schoorl heeft dit verzoek bij faxbericht van 9 juni 2000 afgewezen. Op het herhaalde verzoek tot rectificatie, dat mr. Frielink per faxbericht diezelfde dag tot verweerders heeft gericht, hebben verweerders niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de berichtgeving over hem zeer grievend en feitelijk onjuist is. De in het artikel geuite beschuldigingen ontberen iedere grond en kunnen niet worden onderbouwd. Ten onrechte wordt hij beschuldigd van betrokkenheid bij de beursfraudezaak rond ESC. Klager voerde via het trustkantoor Intertrust Curaçao slechts het beheer over de Curaçaose vestiging van ESC-Effecten. Onderzoek van de FIOD heeft uitgewezen dat klager noch Intertrust ter zake van die beursfraudezaak enig verwijt kan worden gemaakt. Klager is slechts als getuige gehoord en uit de te zijnen kantore in beslag genomen stukken is niets onoirbaars gebleken. Bovendien heeft klager nimmer contact gehad met Peter Graf en is hij nooit betrokken geweest bij de in het artikel bedoelde fiscale constructie, die door de Duitse belastingdienst zou zijn afgekeurd.
Voorts is ten onrechte geen wederhoor toegepast. Aan dit beginsel is niet voldaan nu Schoorl geen enkele poging heeft ondernomen om contact met klager op te nemen. Dit klemt temeer omdat de persoonlijke en zakelijke integriteit van klager in het geding is.
Ten slotte is klager in het artikel ten onrechte als een 'omstreden Antilliaan' gekwalificeerd. Deze tendentieuze kwalificatie wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien is het gebruik van deze kwalificatie niet nodig en dus onnodig grievend.

Volgens verweerders bracht raadpleging van bronnen - het Handelsregister van Curaçao, de databank van Media Resultant, het proces-verbaal van de FIOD in Haarlem en vele gesprekken - aan het licht dat er een relatie bestond tussen klager en Dirk de G. via het bedrijf ESC Effecten N.V. Uit documenten van de FIOD komt dit bedrijf als verdachte in de beursfraudezaak naar voren. In het proces-verbaal staat klager vermeld als 'de formele directeur van ESC Effectenbank'. In 1997 is onder meer bij het kantoor van klager een inval gedaan door justitie, hetgeen klager bevestigt in het Algemeen Dagblad van 13 november 1997. Bij die gelegenheid is een dossier van ESC Effecten in beslag genomen. Aldus is terecht gesteld dat klager betrokken was bij de beursfraudezaak.
Verweerders stellen dat Schoorl zich heeft gewend tot de heer J.J. van Ginkel, directeur van Holland Intertrust Corporation, een Amsterdamse vestiging van het bedrijf Intertrust. Van Ginkel weigerde inhoudelijk op de vragen van Schoorl in te gaan. Dat Schoorl zich niet tot klager persoonlijk heeft gewend is niet te beschouwen als een nalatigheid. Als bronnen gebruikte Schoorl talloze krantenberichten, documenten van de FIOD en van het Handelsregister. Het betreft hier gegevens die tot het publieke domein behoren en dus gelden als feiten van algemene bekendheid. Bij de beschikbaarheid van een dergelijke hoeveelheid schriftelijke bronnen rust op de journalist niet de plicht de betreffende feiten nog eens zelf te onderzoeken. Dit geldt tevens voor de bewering dat klager betrokken is geweest bij de fiscale constructie van Peter Graf. Deze informatie mag als algemeen bekend worden verondersteld omdat deze in het verleden door diverse binnen- en buitenlandse bladen werd verstrekt en niet is gebleken dat klager de betreffende berichten heeft tegengesproken.
Het woord 'omstreden' slaat taalkundig op iets of iemand waarover verschil van mening bestaat, aldus verweerders. Door zijn betrokkenheid bij de beursfraudezaak is de kwalificatie van toepassing op klager. Bovendien is op iemand die meewerkt aan een belastingconstructie, zoals de zogenoemde Antillenroute - die niet illegaal is, maar wel maatschappelijk betwist is omdat het doel ervan is belastingheffing te vermijden - de kwalificatie omstreden van toepassing. Bovendien komt uit de geraadpleegde bronnen het beeld naar voren dat klager zich met omstreden zaken zou hebben bezig gehouden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in drie onderdelen, waarvan de eerste weer in tweeën verdeeld is. De Raad zal deze onderdelen achtereenvolgens beoordelen.
1) Klager stelt dat in het artikel ten onrechte beschuldigingen aan zijn adres zijn geuit. Volgens klager zijn deze beschuldigingen onjuist en kunnen zij niet worden onderbouwd.
a) De Raad is van oordeel dat er voldoende grond bestaat voor de bewering dat klager betrokken is geweest bij de beursfraudezaak rond ESC. Klager heeft immers erkend, dat hij in die zaak als getuige is gehoord en dat stukken uit zijn kantoor in beslag zijn genomen. In die zin kan gesproken worden van betrokkenheid van klager. Dat hij zelf geen verdachte is geweest en dat uit de bij hem in beslag genomen stukken niets onoirbaars is gebleken, doet daaraan niet af.
b) Klager betwist dat hij contact heeft gehad met Peter Graf en betrokken is geweest bij de fiscale constructie, die door de Duitse belastingdienst is afgekeurd. Verweerders stellen in dit verband dat sprake is van gegevens van algemene bekendheid die behoren tot het publieke domein. Uit de door hen overgelegde stukken blijkt echter niets van betrokkenheid van klager bij deze kwestie. In het overgelegde artikel uit het Algemeen Dagblad van 13 november 1997 staat slechts "Ook wil hij (klager) niet ingaan op eerdere publicaties waarin zijn naam in verband is gebracht met het wegsluizen van gelden van Steffi Graf...". Dat klager in deze publicatie zijn vermeende betrokkenheid niet expliciet heeft weersproken, biedt onvoldoende grond voor de beweringen die ter zake in het gewraakte artikel zijn gedaan. Omdat ook in de overige overgelegde stukken de stelling, dat klager een fiscale constructie voor Peter Graf zou hebben gemaakt, niet wordt onderbouwd, hebben verweerders derhalve op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
2) Bij het publiceren van ernstige beschuldigingen, waarvan in dit geval sprake is, moet - naar het vaste oordeel van de Raad - met bijzondere zorgvuldigheid te werk worden gegaan. Hiertoe behoort onder meer het toepassen van wederhoor. Een journalist kan zich in een dergelijk geval niet onttrekken aan het toepassen van wederhoor door zich te baseren op feiten van algemene bekendheid, nog daargelaten dat daarvan voor zover het punt 1b. betreft geen sprake is.
Aangezien de beschuldigingen betrekking hebben op klager persoonlijk, kan niet worden geconcludeerd dat aan de hiervoor bedoelde verplichting is voldaan door vragen te stellen aan de directeur van een aan het bedrijf van klager gelieerde onderneming. Door klager geen gelegenheid tot wederhoor te bieden hebben verweerders dan ook de vereiste zorgvuldigheid niet in acht genomen.
3) Een journalist is vrij in het gebruik van kwalificaties, mits deze niet in strijd zijn met de waarheid en/of onnodig grievend. In aanmerking genomen hetgeen partijen ter zake hebben gesteld, is de Raad van oordeel dat door klager aan te duiden als 'omstreden' geen grenzen zijn overschreden en de klacht op dit punt ongegrond is.

BESLISSING

Wat de punten 1b en 2 betreft is de klacht gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 7 december 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. J.A. Koerts en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-65