2000/62 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

K. Braam

tegen

H. van Maanen (Het Parool)

Bij brief van 14 april 2000 met zes bijlagen heeft K. Braam te Amersfoort (klager) een klacht ingediend tegen H. van Maanen (verweerder). Hierop heeft H. van Maanen gereageerd in een brief van 22 mei 2000 met een bijlage. Braam heeft zijn klacht nog nader toegelicht bij brief van 23 augustus 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 september 2000. Klager en verweerder zijn daar verschenen.

DE FEITEN

Op 29 maart 2000 is in Het Parool een artikel van de hand van verweerder verschenen met de kop "Een bijna schaamteloos reclamefilmpje." In het artikel wordt een voorbeschouwing gegeven op de documentaire van klager, getiteld "Zo nodig dwars", die op diezelfde dag werd uitgezonden. De documentaire gaat over de ervaringen van onder andere klager met reguliere en alternatieve geneeswijzen van kanker. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
"Het KWF (Koningin Wilhelminafonds) schonk Braam 25.000 gulden, maar staat niet als gulle gever op de aftitelrol. Braams interpretatie van 'én-én' is dan ook niet die van het KWF: je moet én naar de oncoloog, én naar dokter Engelbert Valstar. De documentaire is - ongetwijfeld ondanks de beste bedoelingen van Braam - uitgedraaid op een bijna schaamteloos reclamefilmpje voor Valstar. Diens Nederlands Fonds tegen Kanker staat dan ook wel op de aftiteling, en nog prominenter in de documentatie die mensen naar aanleiding van het programma kunnen opvragen."
en
"Hun kritische houding laten zij echter varen als het gaat om de third opinion, die van dokter Valstar. Hem lijken zij op zijn woord te geloven - zelfs als bij Braam en bij Shifra de tumor terugkeert ondanks het Houtsmuller-dieet, begint de twijfel niet te klagen."

Naar aanleiding van het artikel heeft klager op 4 april 2000 een ingezonden brief naar Het Parool gestuurd, waarin hij zijn bezwaren tegen het artikel uit. Het Parool is niet ingegaan op het aanbod van klager om zijn brief in te korten en heeft de brief niet geplaatst. Een ingezonden brief van het Nationaal Fonds tegen Kanker (NFK), waaraan Valstar - als lid van de wetenschappelijke raad van het fonds - is verbonden, en een ingezonden brief van Valstar zelf zijn wel geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager bevat het artikel onjuistheden, onder meer dat de kanker bij hem zou zijn teruggekeerd. Uit de documentaire blijkt duidelijk dat geen sprake was van een zogeheten recidief maar van een resttumor.
Klager heeft de documentaire gemaakt uit ideële motieven, met het doel een brug te slaan tussen de reguliere geneeswijze van kanker enerzijds en de alternatieve geneeswijze, als aanvulling daarop, anderzijds. Hij heeft zowel subsidie gevraagd aan, en gekregen van, het KWF als het NFK en getracht niet verstrikt te raken in de 'strijd' tussen deze organisaties. Ten onrechte wordt echter de indruk gewekt dat klager niet integer met zijn doelstelling is omgegaan en dat hij geen onafhankelijke programmamaker zou zijn. Bovendien wordt hij neergezet als een soort charlatan.
Ten slotte stelt klager dat verweerder heeft nagelaten wederhoor toe te passen en dat Het Parool zijn ingezonden brief had behoren te plaatsen.

Verweerder is van mening dat voor de bespreking van een boek of televisieprogramma niet vereist is de maker daarvan vooraf te horen. Bovendien komt aan een recensent een grote mate van vrijheid toe om zijn mening te uiten en moet kritiek niet uit de weg worden gegaan, zelfs niet als er mogelijk schade aan de reputatie van de maker wordt toegebracht. Voorts is aan verweerder niet duidelijk welke feiten onjuist zijn en is hij van mening dat van suggestief taalgebruik jegens klager geen sprake is. Het verschil tussen een recidief en resttumor betreft een detail, dat in het kader van het artikel niet belangrijk is.
De brief van klager was ruim twee en een half keer zo lang als het artikel, en daarnaast wijdlopig en onsamenhangend. Plaatsing was niet aan de orde, te meer omdat een puntiger brief van het NFK, waarin een door verweerder gemaakte fout werd gecorrigeerd, wel zou worden geplaatst, waarmee de kwestie zou zijn afgedaan. De reden dat nadien nog de ingezonden brief van Valstar is geplaatst, is mogelijk gelegen in het feit dat de Meningen-redactie een discussie met Valstar uit de weg wilde gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de lijn van eerdere uitspraken desbetreffende recensies, stelt de Raad voorop dat aan een recensent een grote mate van vrijheid toekomt, niet alleen wat de vorm van de recensie betreft, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Bij het geven van zijn, kritische, mening over het werk waarop de recensie betrekking heeft behoeft de recensent zich in het algemeen niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker van het besproken werk.
Verweerder heeft in de recensie, in voor klager wellicht pijnlijke bewoordingen, kritiek geuit op de documentaire. Dit levert echter geen grond op voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enige journalistieke norm. Het stond verweerder vrij zijn mening te uiten op de wijze als hij heeft gedaan.
Klager heeft terecht aangevoerd dat het gebruik van de term 'terugkeert' in de zinsnede "...als bij Braam en bij Shifra de tumor terugkeert..." voor zover op hem betrekking hebbend niet in overeenstemming is met de inhoud van de documentaire. Deze misslag, hoe onaangenaam ook voor klager persoonlijk, is echter bezien in het geheel van de recensie niet van dien aard dat het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Van andere onjuistheden, die zouden kunnen leiden tot gegrondheid van de klacht, is geen sprake.
Voor zover de klacht het nalaten van wederhoor betreft, is de Raad van oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, bij recensies niet aan de orde is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.
Er zijn geen feiten gebleken op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het niet plaatsen van klagers ingezonden brief journalistiek onbehoorlijk gedrag jegens hem oplevert. Een snellere plaatsing van de brief van het NFK, die naar het oordeel van de redactie plaatsing van een reactie van klager overbodig maakte, zou overigens wel voor de hand gelegen hebben.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 7 november 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, M.J. Kes, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-62