2000/53 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Nederlandse Vereniging van Dierentuinen

tegen

B. Huisjes (Algemeen Dagblad)

Bij brief van 26 januari 2000 met vier bijlagen heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (klaagster) een klacht ingediend tegen B. Huisjes (verweerder). Hierop heeft mr. K.Th.M. Stöpetie, advocaat te Amsterdam, namens verweerder gereageerd in een brief van 9 maart 2000 met vier bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 juni 2000. Aan de zijde van klaagster is mr. Kemper verschenen, die de klacht aan de hand van een pleitnotitie heeft toegelicht, vergezeld van L.E.M. de Boer, bestuurslid van klaagster, en A.C. Brouwer, directeur van de Stichting Nationaal Onderzoek Dierentuinen en adviseur van klaagster. Verweerder is verschenen vergezeld van mr. M.G.R. van Gardingen, die het verweer aan de hand van een pleitnota heeft toegelicht, en P. de Jonge, adjunct- en tevens plaatsvervangend hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad.

DE FEITEN

Op 13 november 1999 is op de voorpagina van het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van verweerder verschenen met de kop "Beschermde dieren gedumpt. Dierentuinen ruimen overschotten op." De opening van het artikel luidt: "Dierentuinen maken met uitsterven bedreigde dieren af wegens ruimtegebrek. Ook dieren die 'uit de mode raken' treft geregeld dat lot. Met antilopen, geiten en zwijnen wordt zelfs gefokt om ze aan roofdieren op te voeren."
Aan het slot wordt verwezen naar het vervolg op pagina 4 en naar het feature-artikel in het AD Magazine, dat bij het Algemeen Dagblad van 13 november 1999 behoort.
Op de omslag van het AD Magazine wordt het feature-artikel aangekondigd als volgt: ""Het gebeurt in vrijwel alle tuinen: apen, katten, antilopen en beren wacht de kogel of een dodelijke injectie. Wat eetbaar is wordt opgevoerd aan de roofdieren." De onbekende dodenlijsten van de Nederlandse dierentuinen." De kop van dit artikel luidt: "Surplus in de dierentuin. In het voorjaar lokt het 'jonge leven' de bezoekers massaal naar de Zoo. In het najaar, als het stiller wordt, komt de dood. De praktijken die niemand kent."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in het artikel ten onrechte alle dierentuinen, althans al haar leden onderling, over één kam worden geschoren en dat het artikel beschuldigingen bevat die in algemene termen zijn gesteld. Zij wijst onder meer op de kop van het voorpagina-artikel "Beschermde dieren gedumpt. Dierentuinen ruimen overschotten op." en de daarop volgende zinnen "Dierentuinen maken met uitsterven bedreigde dieren af wegens ruimtegebrek. Ook dieren die 'uit de mode raken' treft geregeld dat lot." In het artikel wordt een beeld geschetst dat dierentuinen veelvuldig illegaal in dieren handelen, dieren fokken om ze aan wilde dieren op te voeren en jongen te fokken om publiek te trekken, om ze vervolgens aan het einde van het seizoen te dumpen of te doden. Voor de beschuldigingen wordt echter geen bewijs aangedragen en ze worden in het artikel niet nader toegelicht noch uitgewerkt. De in het feature-artikel genoemde incidenten bieden volgens klaagster onvoldoende onderbouwing voor de in het voorpagina-artikel geuite beschuldigingen. Deze beschuldigingen zijn derhalve niet verifieerbaar, zodat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat het gaat om een gezamenlijk beleid van de gezamenlijk handelende, bij klaagster aangesloten, dierentuinen. Haar leden hebben echter elk hun eigen verantwoordelijkheid en eigen reputatie, zodat van belang is dat in het artikel duidelijk wordt gemaakt welke dierentuin het aangaat.
Voorts bevat het artikel een achttal feitelijke onjuistheden zonder dat deze worden onderbouwd, bijvoorbeeld op de voorpagina in de zin "Met antilopen, geiten en zwijnen wordt zelfs gefokt om ze aan roofdieren op te voeren." Dierentuinen wordt aldus verweten dat zij opzettelijk dieren fokken met het doel om ze als voedsel te laten dienen, hetgeen niet juist is. Volgens klaagster komt het incidenteel voor dat dode dieren worden opgevoerd aan wilde dieren, omdat het karkas anders wordt vernietigd, maar dieren worden nimmer voor dit doel gefokt.
Een en ander heeft tot gevolg dat het artikel zonder enige grond beschuldigingen van wanbeheer en onjuiste voorlichting aan het adres van de bij klaagster aangesloten dierentuinen bevat. Klaagster betoogt dat verweerder aldus niet heeft gehandeld overeenkomstig zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Allereerst werpt verweerder de vraag op of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. In het artikel staat het beleid van klaagster niet ter discussie, zodat zij niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen.
Verweerder stelt dat het voorpagina-artikel een zogeheten 'Ankeiler' is van het feature-artikel in het AD Magazine. Tezamen vormen deze artikelen één product: zonder het feature-artikel zou het voorpagina-artikel niet zijn verschenen. In het feature-artikel zijn, waar nodig, nuanceringen aangebracht betreffende de verschillende beschuldigingen. De 'Ankeiler' moet weliswaar zorgvuldig zijn, maar kan geen of slechts weinig details bevatten zodat daarin algemene termen zijn opgenomen.
Volgens verweerder wordt in het artikel geen beeld geschetst dat dierentuinen veelvuldig illegaal in dieren handelen, fokken en doden. In het artikel wordt nergens gerept over "schuldig maken" of "illegale praktijken". Hij is slechts kritisch over het feit dat de dierentuinen het publiek enkel informeren over de romantiek van nieuw leven, maar de andere werkelijkheid van sterfte van dieren en de gevolgen van overbevolking voor het publiek verborgen houden. Zowel uit het artikel als uit zijn onderzoeksverslag blijkt dat de uitlatingen zijn gebaseerd op feiten die zijn terug te voeren tot openbare en betrouwbare bronnen, aldus verweerder.
Met betrekking tot de door klaagster genoemde onjuistheden stelt hij dat alle passages steun vinden in de feiten en uitkomsten van zijn onderzoek. Wat betreft de zin "Met antilopen, geiten en zwijnen wordt zelfs gefokt om ze aan roofdieren op te voeren." wijst hij op het gedeelte in zijn onderzoeksverslag dat luidt: "Dwerggeit. De cijfers zijn ontleend aan de jaarrapportages 1994, 1995 en 1998 (bijlage A), en deze zijn op 17 oktober ter correctie aangeboden aan het NDP (Noorder Dierenpark). De reactie was: de mannetjes zijn afgemaakt. Het 'opvoeren' van deze dieren wordt bevestigd. De term 'de rest is afgevoerd' in de brief van 30 november, blijkt in de jaarrapporten te zijn vermeld als 'sterfte'. Volgens mijn bronnen is het gewoon dat geiten worden opgevoerd (net zoals varkentjes, antilope-bokken), en dat al bij de geboorte van de dieren vaststaat dat zij dit doel zullen dienen." Bovendien blijkt uit het door klaagster genoemde voorbeeld, dat zij voorbij gaat aan de context waarin de passages zijn gepubliceerd. In de zinsnede 'fokken om op te voeren' wordt met 'om' bedoeld: 'uiteindelijke bestemming' en niet, zoals klaagster suggereert: 'met het oogmerk'. Deze nuancering is volgens verweerder in het artikel aangebracht.
Hij stelt verder dat zijn artikel tot stand is gekomen op basis van een onderzoek dat op uiterst zorgvuldige wijze is verricht naar de voor het publiek onbekend gehouden kant van dierentuinen en dat hij de dierentuinen voor publicatie meermalen in de gelegenheid heeft gesteld op zijn bevindingen te reageren. Aan die reacties is in het artikel uitvoerig en evenwichtig aandacht besteed. Voor zover aan het artikel enige feitelijke onjuistheden zouden kleven kan hem daarvan dan ook geen verwijt worden gemaakt en zijn deze bovendien ondergeschikt aan het geheel en de strekking van de publicatie.
Verweerder betoogt dat niet kan worden geconcludeerd dat het artikel tot stand is gekomen in strijd met journalistieke dan wel maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen, aangezien sprake is van een gedegen vooronderzoek en het artikel is gebaseerd op de uit dat onderzoek voortvloeiende bevindingen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vaststaat dat het artikel betrekking heeft op leden van klaagster. Als behartiger van de belangen van haar leden, heeft klaagster uit dien hoofde belang bij een oordeel van de Raad, zodat zij in haar klacht ontvankelijk is.

In het debat tussen partijen is aan de orde geweest de vraag of het voorpagina-artikel en het feature-artikel als één geheel moeten worden beschouwd. Verweerder heeft in dit verband betoogd, dat het voorpagina-artikel, als 'Ankeiler', niet de volledige journalistieke verantwoording behoeft te bevatten voor alle daarin gedane beweringen, indien daarvoor, zoals in dit geval, naar het feature-artikel wordt verwezen. Naar het oordeel van de Raad gaat deze redenering niet ten volle op. Het magazine en de dagkrant zijn verschillende producten qua vorm en gebruik. Minder dan bij de gewone onderdelen van de krant, is er sprake van een vanzelfsprekende koppeling tussen beide. Daarom behoeft, ondanks de samenhang, elke afzonderlijke publicatie in die twee gedeelten van de krant zorgvuldige formulering. De stelling dat de 'Ankeiler' een zekere mate van ongenuanceerdheid mag bevatten indien de nuances in het feature-artikel zijn terug te vinden, wordt door de Raad in dit geval dan ook niet zonder meer onderschreven. Overigens erkent verweerder dat een voorpagina-artikel even zorgvuldig behoort te zijn geformuleerd als het artikel waarin de lezer het gehele verhaal aantreft.
Het voorpagina-artikel aldus op zijn merites beschouwend, stelt de Raad vast dat in het voorpagina-artikel ernstige beschuldigingen zijn geuit, die kennelijk aan alle dierentuinen worden toegerekend. Bij het uiten van dergelijke beschuldigingen moet met bijzondere zorgvuldigheid te werk worden gegaan, hetgeen hier niet is gebeurd.
De algemene beschuldigingen vinden als zodanig geen grondslag in het door verweerder overgelegde feitenmateriaal. Uit dit materiaal blijkt immers niet dat in alle bij klaagster aangesloten dierentuinen sprake is van de door verweerder opgeworpen misstanden. Bovendien zijn weliswaar in het feature-artikel reacties van verschillende dierentuinen opgenomen, maar deze ontbreken in het voorpagina-artikel, noch zijn daarin duidelijke verwijzingen naar die reacties te vinden. Van evenwichtige berichtgeving is, althans wat betreft het voorpagina-artikel, dan ook geen sprake.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, komt de Raad tot de conclusie dat verweerder aldus grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Hieraan kan niet afdoen dat verweerder enkele in het voorpagina-artikel geuite beschuldigingen in het feature-artikel heeft genuanceerd.
Ten aanzien van dat feature-artikel is de Raad van oordeel dat de daarin opgenomen feiten voldoende grondslag vinden in het verzamelde bronnenmateriaal.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 augustus 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-53